Het verlangen naar Wildernis


KJV Hubertusnummer 2016 tekst en beeld, mmv Wim Knol

Aanhangers van de heroplevende wilderniscultus stellen dat mensen enkel toeschouwer mogen zijn van natuur. Ingrijpen is niet toegestaan. Dergelijke wildernis zou religieuze ervaringen geven en onmisbaar zijn voor de biodiversiteit, mits zij maar uitgestrekt genoeg is. Rypke Zeilmaker ging op zoek naar de wortels van het paradoxale wildernisverlangen.

 

Veel Westerlingen in urbaan gebied delen een verlangen naar mensluwe streken. Een jagende Facebook-vriend uit Vlaanderen stelt vlak voor vertrek naar zijn jachtveld in het Sauerland: ‘The Closer I get to Nature, the further I am from idiots’. Op de heruitgave van Meditations on Hunting van Jose Ortega y Gasset prijkt de eenzame man met geweer en hond, slechts een weidse prairie voor zich. Het strekt tot aanbeveling als je jachtveld niet overlopen raakt door mountainbikers, natuurfotografen, Nordic Walkers en colonnes rustzoekers met hond.

 

Bevrijdende ervaring

Het niet-jagende deel der natuurmensen deelt eenzelfde verlangen, maar vult het anders in. Bram van de Klundert, voormalig programma-manager Nederland van het Wereld Natuur Fonds, publiceerde in Landschap tien kampeerervaringen in Nederlandse natuurgebieden, die hij selecteerde op ‘de meeste kans om niemand tegen te komen’. Die logeerpartijen op locaties als Tiengemeten en Rottumerplaat mondden uit in het boek Expeditie Wildernis, ervaringen met het sublieme in de Nederlandse natuur. Een herhalingsoefening van wat Robert Macfarlane deed op de Britse eilanden in Wild Places. Natuur zonder al te zichtbare menselijke invloed zou een ‘bevrijdende ervaring’ zijn. Van de Klundert’s 40 dagen in de wildernis lijken te verwijzen naar de beproeving die Jezus onderging in de woestijn. Hij stelt tevens dat die kampeeroefeningen hem als mens veranderden. Die nadruk op zielszuivering zien we ook bij de Duitse reisorganisatie ‘Simply Wilderness’ die stelt dat ervaringen in de wildernis ‘onze harten diep (zullen) veranderen en motiveren tot een duurzame levensstijl. Wandelingen in de wildernis maken ons bescheiden, godvrezend en vastbesloten onze roeping te volgen bij terugkeer in de menselijke beschaving.’ Voor Chris McCandless, geportretteerd in John Krakauers Into the wild, bleek zijn tocht door de wildernis in Alaska echter zijn dramatisch eindstation. Slaat deze opvatting niet een beetje door?

 

Paradox

De wilderniscultus heeft een paradox als kerngedachte: het primitieve werkt beschavend. Afwezigheid van cultuur verrijkt onze cultuur. De wildernishistoricus William Cronon identificeert in zijn essay The Trouble with Wilderness; or, Going Back to the Wrong Nature de wortels van die wilderniscultus. Deze kwam in De Verenigde Staten op in de 19e eeuw als variant op het 18e-eeuwse Europees primitivisme en de Romantiek: ‘Het geloof dat het beste tegengif voor de kwalen van een beschaafde moderne wereld een terugkeer was naar een simpeler, meer primitieve manier van leven.’ De grondlegger van het idee dat de (Amerikaanse) wildernis als middel tot zielszuivering kan dienen is Ralf Waldo Emerson. In 1836 schreef hij in Nature over de transcendente ervaringen die ‘essences unchanged by man’ konden geven. Later betrok Henry David Thoreau diens blokhut aan Walden Pond en schreef er zijn essay Walking, waarin hij stelde dat in wildheid het behoud van de wereld zou liggen. Dat alle gevaarlijke dieren aan de Oostkust van Amerika, zoals poema’s, beren en wolven, destijds al waren uitgeroeid, bleef onvermeld.

 

Amerikaanse identiteit

Vooral bij de Amerikaanse milieubeweging zit volgens Cronon de wildernis-cultus ingebakken. Terwijl het idee van ‘wildernis’ een creatie is van de cultuur waar het zich tegen afzet. Bovendien is wildernis juist deel van het probleem volgens Cronon: geschiedvervalsing. Het eerste echte wildernispark, Yellowstone (1872), was in beslag genomen jachtgrond van de Shoshone-indianen. In 1883 werd in Yellowstone ook de jacht voor blanke Amerikanen verboden. Rond die tijd kwam de wildernis-cultus op in de Verenigde Staten. De jagende president Teddy Roosevelt vormde rond die tijd met de New Yorker elite de Boone & Crockett Club. Pas na het schieten van vijf grote wilde dieren als de Grizzly kon je hiervan lid worden. De wilde natuur met bejaagbare dieren zag ‘Teddy’- naamgever aan de Teddy Bear- als ultieme test voor mannelijkheid en Amerikaanse identiteit. Vooral onweidelijke, op commercie gerichte jacht moest uit die gebieden verbannen worden. Zijn clublid Madison Grant - inspirator van Adolf Hitler zijn rassenleer - trok die lijn later verder door met de ‘Wildlife Conservation Society’: wildernisgebieden moesten van alle menselijke smetten vrij zijn. Via de overheid moest het gebruikersrecht van bewoners ingeperkt. Met John Muir, oprichter van de Sierra Club, lobbyde Grant effectief voor wildernisreservaten als Yosemite in Californië, de Redwoods, en het behoud van de bizon. Al deze oersymbolen moesten de Amerikaanse identiteit versterken. Bij Grant liep lobby voor natuurzuiverheid naadloos over in lobby voor raszuiverheid van de blanke Amerikaan.

 

Menselijke afwezigheid

Vooral dankzij het Wereld Natuur Fonds is het concept ‘wildernis’ ook weer actueel in ons land. Onder filosoof Johan van de Gronden als directeur trachtte Wereld Natuur Fonds voet aan de grond te krijgen in het Nederlandse natuurbeleid, na decennia internationale focus. Dat gebeurde via een ‘wildernisvisie’, een echo van het Plan Ooievaar voor wilde riviernatuur uit 1987. Met als ingrediënten: natuurgebieden verbinden, grote grazers, en ‘robuuste natuur’. Biodiversiteit zou daar baat bij hebben was het verkoopargument.

Niettemin bestaan er pogingen om de wilderniscultus een wetenschappelijker aanblik te geven. Loek Kuiters van Alterra definieert wildernis in Natura als ‘een gebied uitsluitend gereguleerd door natuurlijke processen’. Alleen inheemse soorten zijn er welkom en ‘het is niet of slechts in zeer geringe mate beďnvloed door menselijk ingrijpen en er is geen oogst van natuurlijke bronnen.’ Via het Wereld Natuur Fonds en het European Environmental Bureau werd in 2011 een ‘wildernis-kwaliteitsindex’ ontworpen. De wildste (lees: leegste) gebieden in Europa krijgen de groenste kleur op de kaart. De kwaliteit stijgt naarmate de aanwezigheid van mensen afneemt, wat Kuiters ‘de mate van verlatenheid’ noemt. Vandaar dat de Oostvaardersplassen - wildernisicoon in Nederland - toch laag scoren door de nabijheid van infrastructuur. Alleen de Waddenzee heeft in Nederland nog wat wilderniskenmerken.

De essentie van deze wildernis-index overlapt die van de Mean Species Abundance (MSA) van het Planbureau voor de Leefomgeving. Dat kent de maximale score toe aan gebieden op basis van menselijke afwezigheid. Zo scoort een kale gletsjer zonder plant- en diersoorten tien maal hoger in een (fictieve) biodiversiteit dan een akkerrand vol kruiden. En twintig maal beter dan een stadspark vol plant- en diersoorten. Men suggereert zo via kaarten en getallen een hogere ecologische kwaliteit bij menselijke afwezigheid, die losstaat van de meetbare biologische realiteit.

 

Intensieve ingrepen

‘Wildernis’ heeft onvoldoende biologische en wetenschappelijke grond, maar lijkt vooral een marketingstrategie, opgehangen aan al dan niet geďntroduceerde iconen. Vrijwel altijd zijn dat grote grazers en predatoren waar het in Europa juist goed mee gaat buiten de bedachte wildernis. Biodiversiteit ontstaat daarbij vanzelf is de opvatting. Maar de zelfopgelegde afblijfplicht van planten en dieren staat haaks op de vaak intensieve ingrepen die worden gedaan om ‘de juiste voorwaarden voor natuurlijke processen te scheppen’, zoals ingrepen in de waterhuishouding en bodem (opspuiten of afgraven), introducties van soorten en het plaatsen van hekken.

Geen natuurtype lijkt zoveel bemoeienis, kunstmatige fok en subsidies nodig te hebben als ‘robuuste natuur’ die ‘op eigen benen moet staan’. ‘Rewilding’ van verlaten Europese landbouwgrond heeft intensief beleid nodig. Natuurmonumenten grijpt intensief in om juist de verwildering van Griend tegen te gaan en bij de Markerwadden door opspuiten vorm te geven. De inzet van exoten lijkt - als dat zo uitkomt - ook binnen de wildernis te passen, zoals de beoogde inzet van Aziatische waterbuffels in de Biesbosch en wisenten op Schiermonnikoog en elanden op Texel bewijst.

Een film over de Waddenzee als ‘wildernis’ is nu in de maak door ecoloog-filmmaker Ruben Smit. Zijn rolprent ‘De Nieuwe Wildernis’ over de Oostvaardersplassen maakte het concept ‘wildernis’ toegankelijk voor het grote publiek maar verborg de intensieve invloed van de mens. Op Europees niveau is Wouter Helmer - oprichter van Stichting Ark (nu Ark Nature) - actief via Rewilding Europe. Met miljoenen subsidies wordt vooral in Oost-Europa de leegloop van het platteland aangegrepen om wildernisgebieden te stichten. Maar met welk resultaat, anders dan het uitzetten van grazers in sociaaleconomisch zwakke regio’s? Is een dergelijk concept, gebaseerd op inkomsten uit ecotoerisme, op langere termijn houdbaar zonder continue subsidiestroom?

 

Luidruchtige tuin

Het is Emma Marris, exponent van de kritische Amerikaanse stroming van het Ecomodernisme, die een pragmatischer synthese voorstelt in Rambunctious Garden (‘Luidruchtige tuin’). In een wereld waar mensen zelfs de samenstelling van de atmosfeer veranderden, lijkt volgens haar de obsessie met ‘mensloze oernatuur’ achterhaald. Je kunt eindeloos soebatten over natuurlijke referenties, maar die zijn arbitrair. Wilde natuur is daarom overal waar deze zich spontaan vormt. Het onkruid tussen de bakstenen is even wild als Yellowstone. Of om het slotpleidooi van William Cronon in The Trouble with Wilderness aan te halen: ‘Als wildheid niet langer alleen ‘daarbuiten’ betekent, maar ook gewoon hier kan zijn, als het net zo goed natuurlijk als menselijk kan zijn, dan kunnen we weer verder met de worsteling om op de juiste wijze met deze wereld te leven. Niet alleen in de tuin of in de wildernis, maar het ‘thuis’ dat beide omvat.’

 

KADER

Tuinieren versus procesnatuur

Traditioneel vechten in Nederland twee natuurvisies om een been. Het klassieke natuurbeheer van de school van Victor Westhoff is vooral op soorten gericht en behoud van historische landschapstypen die veel soorten bevatten. Zeg maar het oude extensieve agrarisch beheer. Die school had na de Tweede Wereldoorlog de overhand als reactie op de intensivering van en schaalvergroting in de landbouw. Tot de rebellen van Kritisch Bosbeheer in de jaren zeventig opkwamen met hun nadruk op natuurlijke processen. Met de Oostvaardersplassen en Veluwezoom als voorbeeldgebied kwamen zo de grote grazers het natuurbeheer binnen. Aanvankelijk om gebieden open te houden en te experimenteren met biodiversiteit. Maar dat lijkt te zijn vervangen door zichtbaarheid van wild en beleefbaarheid. In de Nederlandse praktijk ontstaan zo hybriden: grazers worden overal ingezet om klassieke doelen van soortenrijkdom te halen, die zij meestal niet waarmaken. Plan Ooievaar is inmiddels achterhaald. De uiterwaarden worden ingericht naar menselijke maatstaven om veilig hoge rivierafvoeren mogelijk te maken. Veel hinderend bos wordt gekapt en de verruigde natuurgebieden met grote grazers dienen zich daarnaar te schikken. De verkoop hiervan als wildernisvlees laat zien dat er een nieuwe balans aan het ontstaan is waarbij duurzaam oogsten uit de natuur een grotere garantie geeft op natuurlijke en landschappelijke variatie dan niets doen met geďntroduceerde grazers. Ook in de bossen wordt een zekere mate van houtoogst in natuurgebieden nu ingezet. Daarmee wordt de positieve rol van de mens als gebruiker van het landschap en natuurgebieden weer op de kaart gezet.

 

Verder lezen:

Robert Macfarlane (2007), The Wild Places, Penguin books

William Cronon, ed., Uncommon Ground: Rethinking the Human Place in Nature, New York: W. W. Norton & Co., 1995, 69-90

Emma Marris (2011), Rambunctious Garden, Saving Nature in a post wild world, Bloomsbury Press

 Krakauer, Jon (1997) Into The Wild, New York: Anchor Books.