Een eend oogsten met droge knal



De Jager augustus 2015

 

Hard maar eerlijk oogst ik in de vroege najaarsochtend met eendenjager Gerard Jippes een wijfje wilde eend, om deze ‘s avonds bij een glas Rode Wijn als Canard ‘d Orange in goed gezelschap op te eten. Over de Friese wateren als versmarkt, en terrier Trudy die met als de wilde eend het verschil tussen nep- en echte eend niet ziet.

 

Weeeh weh weh weh! Aldus Fries eendenjager Gerard Jippes, wanneer hij zijn lokstal met plastic lokeenden heeft uitgelegd en het eerste waterwild indaalt. De lokstem van ‘wilde eend’ Jippes, voorbode van de naderende dood van een echte nietsvermoedende eend. Op de achtergrond ruist het verkeer van de A6 door het Tjeukemeer. In een zijarm van dit meer heeft Jippes zijn schuilplek. Met zijn praam vaart hij hier voor het ochtendgloren binnen, om al schuilend achter de rietkraag zijn prooi op te wachten, de Browning met twee hagelpatronen in de aanslag zodra het wild verschijnt..

Eenden die zich laten aantrekken door plastic lokeenden, lijken zich blijkbaar ook te laten trekken door Jippes. Wanneer een eerste vlucht eenden cirkels maakt boven het water waarin de lokstal ligt, begint zijn gekwaak ‘Weeh weh weh weh’ om de aarzeling bij de eendjes weg te nemen. ‘Goed volk hier’ (met een Browning, maar dat verklap ik niet), moet zijn gekwaak in de oren van de eenden klinken.

Toch zwaaien ze af: de wind staat volgens Jippes ook niet goed. De eenden moeten tegen de wind in kunnen dalen, en de wind staat in de richting van onze schuilplaats. Te ver buiten bereik blijven ze dobberen. Wel bezoekt een krakeend de lokstal, de steeds algemener neef van de wilde eend met felwitte vleugelspiegel, waar de wilde (met felblauwe vleugelspiegel) in het wild steeds verder lijkt af te nemen tot frustratie van jagers. Net als sommige andere soorten. ‘Ik jaag hier al 40 jaar en vroeger had je hier duizenden kuifeenden’, stelt Jippes. ‘Er is minder voedsel voor ze’.

Inderdaad zijn op een rust- en voedselplek zoveel eenden als er voedsel voor ze is. Hoewel je nooit precies weet waarom populaties nu weer eens toe- en dan weer afnemen. Het water is te schoon geworden, vertellen vissers mij ook wel eens. Of zoals visserijbioloog Dolf Boddeke placht te zeggen: ‘ Het milieu op orde betekent lege borden’. Het water wordt steeds helderder, maar ook voedselarmer, met vele gevolgen hoger op in de voedselketen. Zoals minder biomassa van bepaalde vissoorten en schelpdieren die in de fosfaatrijkere wateren van de jaren ‘ 80 nog floreerden.

Maar de waterral- neef van het waterhoen- zit wel bij onze lokstal, en laat met zijn gekeelde varkenskreet er het zijne van weten, diep verscholen in het riet. Wieeeeep wieeep. Er vliegt een grote zilverreiger voorbij die hier juist in de jaren ‘80 niet was. Een buizerd houdt ons vanaf de top van de els in de gaten. Hoeveel waren er daar in de jaren ‘70 nog van? De natuur blijft maar veranderen.

 

Het was al in de de vroege ochtend toen Jippes me opwachtte bij de metalen ophaalbrug van Follega: een gehucht bij Lemmer aan het Tjeukemeer. Terrier Trudy van de verslaggever is mee. Jippes laadt de lokstal, krukje om de buit zittend op te wachten en geweer in hoes. Als we met volgeladen praam opstomen naar de jachtvelden springt de terrier op de voorplecht. Ze jankt lyrisch naar de voor ons wegstuivende meerkoeten, met de rozeblauwe ochtendlucht aan de horizon, klaar om over boord te springen achter de zwarte vogels aan.

Het Tjeukemeer ligt in het verlengde van de vaart vanwaar we vertrekken. Bij het ronden van de bocht zien we vele aalscholvers de dag beginnen, hun witte schijt druipend vanaf hun kaalgerotte rusttakken in de elzen langs het meer. Het zuur van de aalscholverschijt is dodelijk voor bomen. In V-vlucht vliegen voor ons vluchtende en daarbij aansluitende aalscholvers en grauwe ganzen over. Qua vogelbiomassa lijkt het op deze plek dus goed te zitten. Maar ook wilde eenden? We zien ze nog niet zitten.

Jippes ziet zijn schuilplaats naderen en begint met uitleggen van zijn lokstal, al achtjes varend terwijl Trudy zich ook laat foppen door de plastic eenden. Ze wil ze alvast vangen, piepend van jagersopwinding. Als een slim hondje er in tuint, moeten veel dommere eenden dat zeker doen. Jippes gebruikt de boom om zich in de inham van de schuilplaats te duwen. En dan zittend op zijn jagersstoeltje kan het verwachtingsvolle wachten beginnen, dat toch het leeuwendeel van de jagerstijd uitmaakt.

We warmen op bij een prachtige najaarszon die boven de A6 opkomt, en zitten zo in die typische Hollandse natuur 2.0. Een vrij intact rietmoeras met zeldzame waterral, een havik die zijn eigen jachtronde maakt, en de gehaaste beschaving op een steenworp. Maar geen eenden. Ja, de eenden die verderop neerdalen, nadat Jippes zijn beste kwaak-imitatie geeft. ‘ Ik zei al, dat de wind niet goed stond’, herhaalt hij vaker. Na een sessie mobiele telefonie met een jachtkameraad ‘ik ben hier met journalist, nee het is geen anti-jacht-activist’, besluit hij dat het wachten wel lang genoeg heeft geduurd.

Pang Pang, twee knallen brengen het te ver zittende waterwild in beweging. Een vlucht opgeschrokken wilde eenden komt overcirkelen, gevolgd door het jagersoog van Jippes die zijn schietkans inschat. De wilde eenden maken een fatale fout, door binnen bereik te komen. Een droge knal volgt, de waterral achter ons in het riet begint te krijsen bij zoveel lawaai. En ja!: Aangeschoten als een jachtvliegtuig in de oorlog zwabbert een ongelukkige schuin richting water. Hebbes. En nu haar- het is een wijfje- ophalen.

We tuffen het open water op, waar de eerder nog worstelende en vleugelroeiende eend inmiddels met haar zwempeddels boven water uitsteekt: de klassieke ‘ik ben dode eend’-pose. Bij het binnenhalen van de eend kan Trudy zich niet langer beheersen. Ze springt het water in, en zo haalt Jippes niet alleen mijn maaltijd uit het water maar ook een natte terrier. Na binnenhalen van de lokkers tuffen we terug naar Follega, terwijl medejager de havik voor ons uitvliegt.

 

‘Het spijt me nog dat we niet meer eenden konden schieten’, stelt Jippes als we afscheid nemen bij Follega. Voor de pot van vanavond maakt het weinig uit. We voelen aan de eend twee heerlijke eendenborsten. En we hebben geen ecokeurmerk of wat voor uiting van producenten-wantrouwen nodig om te weten dat het qua versheid goed zit. Dit is kwaliteitseend van Friese wateren, voor eigen ogen geoogst, klaar voor de slacht.

Na wat pluk en snijwerk met mijn Herder-mes blijven de bloedrode borstjes op bereiding wachten, tot een goede vriend en hobbykok arriveert. Een internet-recept Canard ‘d Orange met een fondant van sinaasappel, kruiden, peper en basterdsuiker maakt de eendenborst tot 1 van de meest hemelse culinaire ervaringen van het laatste jaar: zo zacht mals in rode reepjes, weggespoeld met een rode Zuid Afrikaanse wijn, precies de goede die tintelt op de tong.

Het mag sneu voor zo’n eend zijn om via een schot hagel het leven te laten. Ook al is leven in de vrije natuur geen pretje. Maar als een dier na zijn dood de basis van het mensenleven kan dienen- in goed gezelschap en dankbaarheid je maaltijd genieten- moet je daar als hedonist toch meer dan vrede mee hebben. Wij genieten die avond vele malen meer en langer van dit kostelijke dierengerecht, dan dat het dier moest lijden om gerecht te worden. Door de jacht en dood van de eend is het netto genot op aarde vermeerderd, en we toosten op haar. Tingeling, gaat ons glas. Weh weh weh. Dank voor je borstfilet.