Intrinsieke waarde natuur? Meer voor totalitaire systemen dan ecosystemen



Levensbeschouwelijke discussies horen in rechtsstaat thuis aan borreltafel, niet in de rechtszaal


KNJV De Nederlandse Jager 24 oktober 2014

Een coalitie onder aanvoering van Natuurmonumenten wil het begrip ‘intrinsieke waarde’van natuur in de Wet Natuurbescherming opnemen, naast een verbod op jacht in Natura 2000-gebied. Verplaatsen levensbeschouwelijke en ecologische discussies zich zo naar de rechtszaal? En wiens wereldvisie bepaalt wat een respectvolle omgang met de natuur mag heten?

 

Het helpt bij een wat filosofische natuurdiscussie om beide zijden van de borreltafel te scheiden. In het debat over omgang met de natuur vindt je twee uiterste posities tegen elkaar, antropocentrisme en ecocentrisme. Is de mens de maat van alle dingen, dan ontleent de natuur haar waarde alleen aan de ‘diensten’die de natuur levert. Het andere uiterste is dat de natuur pas floreert zonder mensen. De mens zou een ‘balans’verstoren in het ‘huishouden van de natuur’ (= ecologie). De extreme variant van deze ecocentristen bepleit via de Voluntary Human Extinction Movement het uitsterven van de mensheid voor ‘de aarde’, en dan vooral de Westerse consumens.

Antropocentristen kunnen te weinig oog hebben voor ecologische waarde los van mensen. De ecocentristen hanteren vaak politieke claims op wetenschappelijke ecologie. Maar.. zij hebben daar weinig raakvlak (meer) mee. De professionele ecologie schudde de nog steeds populaire mythe van een mysterieuze ‘balans van de natuur’ van zich af. Zoals ecoloog Steward Pickett stelt kun je beter spreken van de ‘flux van de natuur’, ‘alles stroomt’als bij Heraclitus. Ecosystemen veranderen op alle tijdschalen, er is geen vaste balans van De Natuur die ‘verstoord’raakt door mensen. De enige constante is verandering. Ook lijkt de enige harde natuurwet in ecologie, dat er altijd uitzonderingen op ecologische wetten zijn. Dat stelde wetenschapsblad Nature dit voorjaar. Dé Ecologie bestaat niet.

De discussie over ‘intrinsieke waarde van natuur’ – een onaantastbaar objectieve waarde- is dus geen toetsbaar ecologisch-wetenschappelijk begrip. Het betreft een levensbeschouwelijke discussie, die na opname in de Wet Natuurbescherming naar de rechtszaal wordt verplaatst. Dus wat kan opname in de Wet Natuurbescherming van een levensbeschouwing als ‘intrinsieke waarde van natuur’ – een ecocentrisch ogend begrip- toevoegen aan bescherming van biodiversiteit? En hoe verhoudt deze waarde zich tot de jacht? Het blijkt dat die filosofische discussie beter tot haar recht komt bij een goed glas wijn en een heerlijk stukje vlees. Iedereen mag dan zijn favoriete huisfilosoof meenemen.

 

Natuurmonumenten omschrijft haar levensbeschouwing als volgt: ‘Als het aan Natuurmonumenten ligt, geldt voor de nieuwe natuurwet de intrinsieke waarde van natuur als leidend beginsel. Dit betekent dat iedereen in Nederland zorgvuldig en respectvol met de natuur moet omgaan. Voor de betrokken overheden zou de verplichting moeten gelden actief te zorgen voor de bescherming van dier- en plantensoorten. Op die manier voorkom je dat de situatie van soorten in Nederland verslechtert.’

De keuze lijkt enigszins wonderlijk. Want juist instrumentele (gebruiks-) waarde van natuur als genot- recreatie- en gezondheidsmiddel vormt dé leidraad van communicatie van overheid en natuurorganisaties sinds de overheidsnota Natuur voor Mensen, Mensen voor Natuur. Volgens Staatsbosbeheer waren haar terreinen ‘de grootste fitnessruimte van Nederland’.

Ook in het ‘Natuurpact’ van Sharon Dijksma staat die gebruikswaarde door mensen centraal, voor recreatie, gezondheid en het populaire begrip ‘ecosysteemdiensten’.

Ook namen alle terreinbeherende organisaties deel aan de Wageningse biomassaconferentie dit voorjaar: zij willen meer hout oogsten om geld aan hun natuurbezit te verdienen, zoals via biomassa. Er is eerder een roep om méér exploitatie als leidraad van die natuur, dan het uitroepen van een ‘intrinsieke waarde’: die natuur in uiterste vorm onaanraakbaar maakt zoals ecocentrist Paul Taylor bepleit. Waarmee de vraag rijst in hoeverre die leidraad van exploitatie botst met de zorgplicht van natuurorganisaties zélf voor hun natuurbezit. Wat als de jacht op inkomsten botst met natuurdoelen?

De tekst van Natuurmonumenten roept dus vooral vragen op, waar sprekers ook geen antwoord op konden geven in het commissiedebat in de Tweede Kamer op 26 september over Intrinsieke Waarde. Wat voor probleem lost de opname van ‘intrinsieke waarde’in de praktijk op? Ecoloog en filosoof Diederik Boomsma – nu promoverend op jachtfilosoof José Ortega y Gasset- stelde tijdens het debat op 26 september vast: opname in het recht schept vooral meer onduidelijkheid, een positie die de Raad van State lijkt te delen.

‘De wil om intrinsieke waarde op te nemen, lijkt meer op een getuigenis van mensen die willen laten zien hoe spiritueel ze zijn’, stelt hij desgevraagd. ‘Kijk mij eens de intrinsieke waarde van dat dier of die natuur zien. Maar men lijkt vooral via het recht op een discussie vooruit te willen lopen waar men in de filosofie nog niet uit is. Een vermelding als voetnoot zou voldoende moeten zijn.’

Opname in het recht zou dan ook enkel verwarring zaaien. ‘Recht moet toetsbaar zijn, en een redelijke afweging van verschillende belangen maken’, reageert Boomsma. ‘Wanneer je die toetsbaarheid geweld aan doet weet je nooit meer als burger waar je aan toe bent. Angst wordt dan leidraad bij natuurrecht. Iedereen kan je op enig moment op willekeurige gronden beschuldigen, wat een kenmerk van totalitaire systemen is.’

Volgens hoogleraar Natuurbeschermingsrecht Kees Bastmeijer zou opname van Intrinsieke Waarde wel degelijk een aanwinst zijn, en recht doen aan de ‘vooruitgang’ die in het natuurfilosofisch debat zou zijn geboekt. Maar hij kan desgevraagd nog niet reageren op de vraag wat die vooruitgang dan inhoudt. ‘Maar ik sta wel open voor discussie’.

 

In dit artikel daarom een voorzetje voor de discussie met enkele prangende vragen. De eerste vraag bij Intrinsieke Waarde is natuurlijk: wat betekent dit voor natuurbeheer? Hier zijn evenveel interpretaties van ‘waarde’ in omloop voor natuur als er filosofen zijn. Ieder kan zijn huisfilosoof tegen de ander in stelling brengen. Volgens de filosoof Andrew Mc Cord in ‘The Value of Species’, bestaat de waarde van biodiversiteit bijvoorbeeld NIET uit de onmisbaarheid van soorten voor diensten voor de mens.

Daarmee sluit hij aan bij de wetenschappelijke ecologie. Immers, soorten komen en gaan, en voor mensen zijn vele soorten misbaar. Een standpunt dat filosoof Bas Haring ook al lanceerde in ‘Plastic Panda’s’. Wie kan zelfs maar 10 van de 70 zoogdiersoorten noemen die sinds 1500 uitstierven? Mc Cord komt na enkele tientallen bladzijden uit bij de ‘intellectuele interesse’die iedere unieke soort opwekt die haar een ‘waarde’geeft. Verwondering die natuur geeft aan mensen biedt soorten waarde om ze allen te beschermen.

De ecocentrische wil van Mc Cord om een ‘waarde’te vinden van soorten los van mensen, krijgt zo toch weer mens-gecentreerde trekjes: intellectueel hedonisme/genot van vooral academische natuurvorsers leidt tot het vaststellen van natuurwaarde. De enige soort die de intrinsieke waarde toekent aan natuur is weer de mens. Maar dan via een academische omweg die leidt tot een proefschrift en conferenties.

Een voorstudie van filosofen Josef Keulartz en Jac Swart ‘de intrinsieke waarde van dieren in performance praktijken’ uit 2009 geeft weer de volgende definitie: ‘dat dieren een eigen, zelfstandige waarde hebben. Los van de gebruikswaarde die de mens er aan toekent- de intrinsieke waarde’. De definitie is één van de weinige in het Nederlandse taalgebied die ook in juridische context is gebruikt. Bij individuele dierzorg in gevangenschap. Onduidelijk is hier echter hoe intrinsieke waarde van natuur als geheel, zich verhoudt tot zorgplicht naar individuele dieren, wanneer de (ecocentrische) plicht van mensen vooral is om zichzelf weg te cijferen. Zoals Keulartz het dilemma beschrijft:

De Oostvaardersplassen zijn een notoir geval. Menigeen is het zeer terughoudende beleid aldaar inzake bijvoedering en veterinaire toestand een doorn in het oog. Maar, stellen de voorstanders, het redden van individuele dieren ondermijnt uiteindelijk de zelfredzaamheid van de gemeenschap en belet zo de populatie om zich vrij te ontplooien. Bovendien is er wel degelijk enige bekommernis om het individuele dier. Zo worden dieren in nood door afschot uit hun lijden verlost met het argument dat er nog geen roofdieren in het gebied aanwezig zijn.

 

Volgende vraag: Bestaat er ook intrinsieke waarde in gradaties? Bij gelijke intrinsieke waarde van alle onderdelen van natuur kan de rechter nooit bepalen welke intrinsieke waarde van welke procesganger voorrang krijgt. Wie wordt in de rechtszaal de machtigste uitlegger van de wensen van De Natuur? Intrinsieke waarde voor natuur met ‘waarde in zichzelf’ botst alvast met de huidige natuurpraktijk.

Nederlands natuurbeheer betekent op zuiver antropocentrische wijze keuzes maken tussen soorten. Beheer is de één zijn waarde benadelen ten opzichte van de ander, op basis van menselijk oordeelsvermogen. De mens staat centraal. Alle Natuurmonumenten zijn gemeenschappen van plant- en diersoorten die volledig door menselijke keuzes worden bepaald om aan een menselijk ideaal uit 1900 te voldoen, of dit nu door ‘deskundigen’is bepaald of mensen die natuurorganisaties daar niet toe rekenen. Of het nu de door turfwinning ontstane Vechtplassen zijn, of door overbegrazing ontstane heidevelden van de Veluwezoom. Onbewust waren roofbouwende Veluwers en turfstekers dus ‘deskundige natuurbeheerders’. Waarbij beheers-activiteiten de door mensen gewenste soortsamenstelling bewaken tegen de natuurlijke loop: vergrassing en uiteindelijk verbossing.

Boswachters gaan tegen wat de natuur van nature doet bij huidige milieucondities. Van prunustrekken tot het beheer van wild, dat schade aanricht bij andere natuurdoelen. Zoals grauwe ganzen die kolonies zwarte sterns het broeden onmogelijk maken. Texelaars maken er ganzenmetworst van. Dit punt – natuurbeheer in Nederland vraagt pijnlijke keuzes die je niet via de rechter oplost, maar bij een glas wijn- snijdt ook Boomsma aan. Het floreren van de ene soort gaat ten koste van andere natuurwaarden: ‘Als CDA-Raadslid in Stadsdeel Amsterdam Noord liet ik onderzoek doen naar de overbegrazing die de overpopulatie damherten in de Waterleidingduinen veroorzaken’, stelt hij. ‘Daaruit kwam duidelijk naar voren dat doelen voor biodiversiteit door die overpopulatie worden aangetast.’

Uiteindelijk kan de natuur nooit juridisch voor zichzelf spreken, zij heeft altijd menselijke uitleggers die zich voor haar opwerpen. Opname van ‘intrinsieke waarde’ in de wet versmalt de belangenafweging van natuurdoelen dan hooguit tot een beperktere groep mensen dan nu het geval is: die met het meeste geld voor procedures, of wie zich als enige deskundige opwerpt. Discussies in natuurbeheer waar nu ecologen al niet uitkomen, zouden dan via de rechter worden beslecht. In uiterst geval verwatert natuurbeheer de Nedernatuur tot openlucht dierkliniek: iedereen die schrikt van een lijdend hert, een kreupele vos of gewonde vogel kan de overheid verplichten hiervoor te zorgen.

We komen uiteindelijk dus uit bij de juridisering van levensbeschouwing: een kenmerk van totalitaire systemen, niet bij beheerkeuzes van ecosystemen. Wat geeft coalitieleden het recht te bepalen wat voor beheersvorm grondeigenaren kiezen, als zij daarmee ook de meeste winst voor mens en natuur halen, tegen de laagste kosten? Want dat is het beleden doel: natuurwinst. Is dat niet strijdig met eigendomsrecht en zelfbeschikking? We zien bij de roep om intrinsieke waarde als leidraad bij natuurbeschermingsrecht meer de discussie over het machtsvraagstuk- welke politieke stroming verdeelt de buit in Nederland. De formulering door Natuurmonumenten lijkt alvast niet door de helderste geesten bedacht.

 

Mijn cursusboek als valkenier in opleiding stelde al uitdrukkelijk ‘met het wild wordt niet gesold’. Het dier dat net nog partij bood tegen de valk diende met respect bejegend te worden. Het lijkt alvast dat weidelijke jagers geen intrinsieke waarde in de wet nodig hebben, om respectvol en zorgvuldig met wild en de natuur om te gaan. Juist hun menselijkheid maakt dat zij rituelen bezigen als het ‘dood blazen’van wild. Om zo de dieren eerbetoon te geven die net nog partij boden in het veld als waardevol wezen in zichzelf. Wild dat daarna de ‘diensten’levert van natuurvlees bij een goed glas wijn.

Ter intellectuele verdediging kan de jager bij dit genot hedonistisch filosoof Jeremy Bentham opvoeren. Wanneer activisten tegen jacht Bentham gebruiken, dan kunnen jagers dat ook. Het is maar hoe je hem uitlegt. Hij stelde ‘"De natuur heeft de mensheid onder het regime van twee soevereine meesters geplaatst: pijn en plezier. Zij alleen behoren ons de weg te wijzen en zij alleen mogen bepalen wat we moeten doen." Geluk en moraal is bioj Bentham datgene wat de meeste mensen genot geeft. Hier staat de 96 procent van pleziervleeseters in Nederland aan jagerskant.

Ook bij het lijdensvraagstuk. De mate van lijden van een dier is bij een goed gemikt bladschot vele malen kleiner, dan wanneer een wolf een hert langzaam verscheurt. Populatiebeheer verbetert de gezondheid en voedselsituatie van herten, en levert natuurgenot via de maag. Wild Beheer Eenheden waken over zorgvuldig beheer van de wildstand. Ook dat is een zorgplicht. Er zijn in de Westerse traditie reeds eeuwenlang vormen van respect en zorg voor natuur, zo beschrijft ook cultuurhistoricus Simon Schama in ‘Landscape and Memory’, als weerwoord op ecocentristen.

‘Intrinsieke waarde’lijkt voorlopig dus een pressiemiddel te worden om via de achterdeur een jachtverbod af te dwingen en ook sportvisserij. Door het stichten van juridische verwarring. Waar de jacht bij het doorsneepubliek op steeds meer acceptatie kan rekenen. Dat steekt de meer extreme coalitieleden als Faunabescherming. In hun natuurvisie herkennen we sterk de politiek ecologische trekjes van extremistische ecocentristen: zoals Harm Niessen van Faunabescherming stelt mag de mens ‘alleen met de handen op de rug’ de natuur in, een standpunt dat geen enkele natuurorganisatie hanteert.

De anti-jachtsoep wordt alvast niet zo heet gegeten bij coalitieleden, als bij het door de jagende Prins Philip gestichtte Wereld Natuur. En waar diverse deelnemers in de coalitie als de Waddenvereniging een aanmerkelijk genuanceerder standpunt over jacht delen, zo bevestigt directeur Arjan Berkhuysen; ‘Wij zijn niet tegen jacht’, een gezond-kritische blik is velen voldoende.

Het coalitiestandpunt tegen de jacht is dus op veel onderdelen niet representatief voor het speelveld in natuurland. Het monopolie op moreel gelijk ademt het totalitairisme waar enkele elementen toe neigen die hun particuliere emoties als maat van alle dingen willen opleggen via de rechter. Zo komen we uiteindelijk toch uit bij jachtfilosoof José Ortega y Gasset. Hij hekelde mensen die hun morele zekerheden aan anderen wilden opleggen bij complexe vragen over leven en dood, over mens en natuur. Nu Boomsma Ortega y Gasset’s Opstand der Horden opnieuw vertaalt, zou de nieuwe uitgave een mooie uitnodiging naar de anti-jachtcoalitie zijn: kijk eens met frissere blik naar natuur en mens, leven en dood.

Laten we daar bij een warm haardvuur dan gezellig over praten, in plaats van het leven te juridiseren. We mogen toch genieten?