Wie te dicht bij de natuur staat buit haar uit



Plezierjagers schieten alleen algemene soorten met culinaire waarde, natuurvolken schieten alles dat voor de loop/pijl en boog komt


4 september 2014

Overbejaging door natuurvolken en eilandkolonisten was en is een hoofdoorzaak van het uitsterven van diersoorten. De weidelijke plezierjacht helpt juist bij bescherming, beheer en acceptatie van wildere natuur. Waarin verschilt de moderne recreatieve jager van de jagende oermens en natuurvolken?

 

Met enige regelmaat duiken uit de activistische hoek claims op dat nu een ‘zesde massa-uitsterven’zou plaatsvinden op aarde. Maar wáár vindt dat uitsterven dan plaats bij welke soorten? En welke rol speelt menselijke predatie, de jacht daarbij? De beantwoording van deze vragen kan de recreatieve jager helpen bij de uitleg van wat hij doet in het veld. Dan blijkt zijn vorm van jacht niet alleen plezier te geven, maar ook onmisbaar te kunnen zijn bij moderne natuurbescherming in een door mensen gedomineerde wereld.

Voor een waardenvrij oordeel kijken we in de lijst van de Committee on Recently Extinct Animals (CROE) en de Rode Lijst van de IUCN, dé standaarden op dit gebied. De dodenlijst van de moderne tijd- de laatste 500 jaar- op continenten als Europa lijkt dan verrassend bescheiden, en de druk op diersoorten sterk afhankelijk van de regio. Tegelijk nemen de meeste grote roof- en zoogdieren in Europa weer toe met de wolf als meest aansprekende voorbeeld.

De afgelopen 500 jaar stierven op de continenten exclusief Australie 3 zoogdieren uit, waarvan één soort door een jager het laatste schot kreeg in 1800: de blaubok in Zuid Afrika. De Rode Lijst stelt:‘…hunted by European settlers throughout the 1700s. The last of the

species was killed around 1800’. Hier staan voor Europa dan niet het wilde paard vermeld en de oeros, die ook door overbejaging uitstierven zoals het proefschrift van Cis ten Vuure dit voorjaar vermeldt. Op de continenten sneuvelden 3 vogelsoorten door overbejaging, de Labrador eend, Amerikaanse trekduif (1914) en de Carolinaparkiet (1904) door jachtlustige kolonisten.

Anders is de situatie geweest op door Westerse kolonisten ontdekte eilanden- inclusief Australie- waar 58 zoogdiersoorten uitstierven en 122 vogelsoorten (van de ongeveer 10.000) sinds 1500. Dat is 95 procent van alle extincties bij zoogdieren en vogels. Waarbij volgens een studie van Loehle en Esschenbach in 2012 ‘jacht en overbenutting’de belangrijkste oorzaken zijn, samen met habitatvernietiging en exoten. Bij mariene zoogdieren is overbejaging voor 100 procent de oorzaak van uitsterven, zoals ook de Steller’s zeekoe kort na ontdekking ervoer.

 

Moderne jacht humaner dan natuur

In totaal stierf in de moderne tijd van de laatste 500 jaar een kleine 1 procent van alle zoogdier- en vogelsoorten uit. Jacht speelde daarbij met habitatvernietiging en exoten de belangrijkste rol, vrijwel uitsluitend op exotische eilanden. Maar moet de Nederlandse recreatieve jager zich verantwoorden voor de uitgestorven dodo in de 17de eeuw op Mauritius? Zo stierf in Europa afgelopen halve eeuw maar één zoogdier misschien uit, de Beierse woelmuis, die in 2004 voor het laatst werd waargenomen. Oorzaak: kap van het enige stukje bos waar dit neefje leefde van onze procedurekampioen de Noordse woelmuis.

Konden kolonisten in de Nieuwe Wereld al schietend en ontbossend te keer gaan, de laatste decennia zien we een omgekeerde trend, zo beschreef Time Magazine in december 2013. In de Westelijke Verenigde Staten zijn populaties van de poema teruggeveerd tot niveaus groter dan voor de komst van Westerse kolonisten (+1600 procent), zwijnenpopulaties namen in een eeuw weer toe met 120 procent, zwarte beren met 320 procent, alligators met 400 procent, de wolf met 610 procent, de wilde kalkoen met 1500 procent, bevers met 2400 procent. Wasberen werden stedelijke plaagdieren met 2700 procent toename. Het bosareaal van New Jersey bleef gelijk op 42 procent bij verviervoudiging van de bevolking.

De auteur in Time Magazine hield een warm pleidooi voor weidelijke recreatieve jacht bij wilde dieren die overlast geven. De stedelijke jager zou populaties van plaagherten en zwarte beren in New Jersey in toom moeten houden. Jacht helpt dan om het samenleven te vergemakkelijken, waar diersentimentalisten vooral voor pappen en nathouden pleiten en daarmee aanhoudende overlast. De auteur schrijft dat jacht een humaan alternatief is voor wat diersentimentalisten willen:

‘Anti-jachtactivisten bepleiten redelijke stappen om de bankethallen van de buitenwijken te elimineren, waar beren en andere fauna nu van eten en waardoor het ze voor de wind gaat. Mensen zouden beer-resistente vuilnisbakken moeten aanschaffen, huisdiervoer verstoppen en vogelzaad, schuren en garages moeten afsluiten. Al deze technieken zouden de berenpopulatie in toom helpen houden en die van andere dieren. Maar stel dat al deze stappen morgen werden genomen. En de zwarte beren van New Jersey en elders moeten plots van hun welvaartsvoedsel naar een paleo-dieet. Langzame verhongering is dan geen betere manier voor een beer om te sterven dan via de kogel of pijl van een jager..’

 

De voetafdruk van Platvoet

De combinatie van weidelijke jacht en wildlife werkt volgens moderne natuurdenkers in Westerse landen dus prima. Dat is voor ingewijden geen verrassing, aangezien jager Aldo Leopold aan de basis van Amerikaanse natuurbescherming stond. Voor een hoge uitsterfscore door bejaging moeten we veel verder terug in de tijd naar de ‘ongerepte wildernis’, zeker in Europa en de Verenigde Staten. Sheila Murray van de Club van Rome stelde bij het 50 jarig jubileum van het Wereld Natuur Fonds in Rotterdam in mei 2012: wij kunnen een voorbeeld nemen aan de Indianen, die geen voetafdruk nalieten.

Hoezeer deze bij orthodoxe milieuactivisten populaire bewering historisch onjuist is beschrijven Paul Koch en Anthony Barnosky al in 2006 in hun studie ‘Late Quaternary Extinction Event, State of the Debate’. Het late kwartair is de geologische periode tussen 50.000 en 10.000 jaar geleden, een periode waarin een massa-uitsterven plaatsvond op alle continenten waar de (oer)mens verscheen.

Tussen 15.000 en 10.000 jaar geleden verdween op het Noord Amerikaanse continent na de komst van de Indianen 72 procent van de megafauna: zoogdiersoorten met lichaamsgewicht boven de 44 kilogram. Oftewel, Platvoet en zijn vriendjes lieten een enorme voetafdruk na op het Amerikaanse continent, ver voor Columbus in 1492 aankwam. Dit staat bekend als de ‘overkill-theorie’.

Niet alleen verdween de masthodont (een soort olifant), een kameel, twee paardensoorten en reuzenluiaards, ook de Amerikaanse cheetah verdween. Alleen zijn prooidier in de Verenigde Staten is nog over: de gaffelantiloop Antilocapra americana die 90 kilometer per uur kan lopen. Een overdreven vluchtsnelheid, die bij het huidige roofdierbestand overbodig is, hoewel het hem buiten bereik van de Indianen hield. De vluchttactiek van pure snelheid stamt nog uit het Pleistoceen toen zijn op snelheid aangepaste bejager de cheetah nog in Amerika rondliep.

In Afrika leek het massa-uitsterven mee te vallen, ‘slechts’ 21 procent van de megafauna verdween in het late Kwartair. Zodat ‘typisch Afrikaanse’ dieren als de neushoorn en olifant hier nog leven. Terwijl moderne mensen nog met de neushoorn in Europa samenleefden. Dat tonen de schilderingen van neushorens in de Chauvet grot in de Franse Ardeche van ongeveer 30.000 jaar oud.

 

Biomalaise door Maori’s

Jarenlang ging het debat over de oorzaken van al dat uitsterven, omdat de jager verzamelaar in zijn lage dichtheden niet zo’n grote impact zou kunnen hebben. Volgens Koch en Barnosky was overbejaging door de Indianen dé oorzaak van massa-uitsterven. Maar in Europa zou vooral klimaatverandering dieren als de neushoorn, hyena en grottenleeuw de das om doen. Een nieuwe studie in Proceedings of the Royal Society B van juni 2014 bestrijdt dit laatste. De onderzoekers tonen bij 177 soorten uitgestorven grotere zoogdieren tussen 50.000 en 10.000 jaar geleden, dat op alle continenten meer overlap is tussen de komst van jagende mensen en de timing van uitsterven, dan tussen klimaatopwarming en uitsterven.

Overbejaging door natuurvolken had meer invloed dan sterke klimaatschommelingen, zo merkten Nieuw Zeelandse onderzoekers in de jaren ’80 al op. Zij bestudeerden de uitroeiing van vogelsoorten op Nieuw Zeeland. Toen de Maori’s aankwamen in hun kano’s vergezeld van de Pacifische rat tussen 1000-1300, troffen ze een rijke vogelfauna. De vogels hadden alle niches ingevuld die anders door zoogdieren werden ingenomen. Zoals begrazing door struisvogelachtige Moa’s, vogelachtige runderen. Grote roofdieren huisden ook in de lucht, zoals de 14 kilo zware Haast arend, een airborne leeuw die de Moa bejaagde.

De Maori’s roeiden door overbejaging deze Moa uit. In zijn kielzog verdween de Haast Arend en nog eens 40-50 procent van de vogelfauna. Een fauna die in de millennia daarvoor klimaatschommelingen van 6 graden had doorstaan, moest het tegen de overbejagende natuurvolken afleggen. Na de komst van de moderne kolonisten werden vooral honden, ratten en katten de grootste boosdoeners die de kwetsbare bodembroeders tot het randje van uitsterven brengen met de iconische kiwi als voorbeeld. Maar het gros van uitsterven is door de Maori’s veroorzaakt, die de inheemse fauna gebruikten voor eigen overleving.

 

Plezierjacht bestrijdt plaagdieren

Momenteel speelt jacht op Nieuw Zeeland geen enkele rol van bedreiging meer bij de resterende fauna. Sterker nog, de plezier- en trofeejacht richt zich louter op plaagdieren die een bedreiging vormen voor de inheemse flora en fauna. Dit zijn meestal exoten waar natuurbeschermers wel graag van af willen. Zoals door Britse kolonisten geintroduceerde edelherten.

Vanaf 1850 verspreiden edelherten zich sterk over het van oorsprong zoogdierloze Zuidereiland. Ook ontsnappen ze op het Noordereiland uit hertenfarms, waar in 1996 nog ruim 1 miljoen herten werden gehouden. Zo vormen ze grote vraatschade aan de inheemse vegetatie. De jagers worden hier alom ingezet als wildbeheerder, die moet helpen het Noordereiland exootvrij te houden.

De moderne jacht in Westerse landen vindt niet plaats op zeldzaamheden, maar op algemene soorten of als vorm van populatiebeheer. In Roemenie draagt de berenjacht zelfs bij aan het kunstmatig hoog houden van berenpopulaties via bijvoeren. Pas wanneer mensen te sterk economisch afhankelijk worden van benutting van diersoorten ontstaan problemen. Deze constatering doet ook Stuart Butchart van Birdlife International in 2008 in de studie in Bird Conservation International.

 

Van alle ongeveer 10.000 vogelsoorten wordt 45,7 procent op één of andere manier wel eens benut door mensen. De grootste druk vormt de handel in huisdieren die 37 procent benut, de jacht benut 14,2 procent van de soorten. Waar de huisdierhandel ook de zeldzaamheden treft als ‘collectors item’, lijkt de sportjacht een kleinere bedreiging voor populaties te zijn. Jagers doelen vooral op algemene soorten, zo stelt Butchart als verklaring. De door mensen benutte soorten zijn mínder bedreigd volgens de Rode Lijst van IUCN, dan de soorten die niet benut worden.

Daar staat tegenover dat de natuurimpact van jacht en benutting per land sterk verschilt, zoals de trekvogeljacht op Malta toont, een EU-lidstaat. Problematisch blijven verder delen van Afrika, delen van Zuid Amerika en Azie. Hier vormt de jacht nog een bedreiging voor veel soorten. Te meer omdat veel jagers daar nog jagen zoals de natuurvolken vroeger deden. Dat beschrijft David Wilkie, directeur Conservation Support van de Wildlife Conservation Society in de Huffington Post op 11 april in een reportage over bush meat.

Lokale bewoners zijn in hun voortbestaan voornamelijk afhankelijk van de jacht. Alles van een muis tot olifant is bushmeat, nyama, en of het dier nu zeldzaam of algemeen is: het sneuvelt. Met een sterke voorkeur voor de grotere meer waardevolle dieren. ‘Wanneer een punt van schaarste is bereikt houden recreatieve jagers op met jagen, want ze krijgen geen ‘bang for buck’. Maar de jagers van bushmeat gaan door zolang er één of meer soorten over zijn die algemeen genoeg zijn om te bejagen’, schrijft Wilkie. En dat zou het lokale uitsterven van diersoorten als apen bespoedigen. De praktijk lijkt een echo van wat de primitieve natuurvolken in het late Kwartair deden.

 

Jachtplezier, ja tenzij

Een vuistregel op basis van jachthistorie en praktijk is dus: hoe welvarender een jager en hoe kleiner de economische afhankelijkheid van wildlife - dus hoe verder de mensen van de natuur afstaan- hoe weidelijker de jacht. En hoe nuttiger bijdrage jacht bij natuurbeheer kan leveren. Wie te dicht bij de natuur staat en volledig van haar afhankelijk is buit haar uit.

Daarnaast veranderen opvattingen over jacht richting meer weidelijkheid en dankzij meer ecologische kennis. De tijd dat sportjagers voor de lol duizenden overtrekkende breedvleugelbuizerds per jaar afschoten op Hawk Mountain in Pennsylvania ligt al 80 jaar achter ons. Roofvogels, van mensen ‘rovende’vogels verdienen nu hun plaats in een ecosysteem.

Moderne recreatieve jagers zijn beter bemiddeld, zij hebben geld voor natuur over in plaats van dat zij er aan moeten verdienen. Daarom kunnen zij actief via oogst van algemene en smakelijke diersoorten als ganzen bijdragen aan natuurbescherming. Zo bedreigen grauwe ganzen volgens De Levende Natuur kolonies van zwarte sterns door de broedvlotten te bezetten of vernielen. De jager kan plaagpopulaties in toom houden zoals Time Magazine beschrijft.

De moderne natuurbescherming kan haar pijlen daarom beter richten op de natuurvolken die alles schieten dat hen geld en vlees oplevert, bedreigd of niet. De plezierjacht heeft zeer plezierige bijkomstigheden voor biodiversiteit, die moderne natuurdenkers omarmen. Bij huidige positieve trends bij grote roof- en zoogdieren, moet het weer mogelijk worden om op wolf, beer en andere spannende dieren te jagen voor het plezier. De opbrengst van recreatieve jacht kan besteed worden aan habitatverbetering van kwetsbaarder diersoorten. Tel uit je natuurwinst.