Is REDD+ nog te redden?

30-06-2012 aangeleverde tekst

Het leek een goedkope manier om tropische boskap tegen te gaan, en de daarmee gepaard gaande uitstoot van broeikasgassen. Betaal ontwikkelingslanden voor ‘vermeden ontbossing’: Reducing Emissions from Deforestation and Degradation (REDD+). Maar het programma bezwijkt onder corruptiegevoeligheid en complexiteit. ‘REDD zal niet meer dan één van de vele manieren worden, om boskap te minderen.’

 

‘Weinig ideeen voor bosbehoud zijn vanaf het begin zo enthousiast onthaald’, stelt Martin Herold van Wageningen Universiteit over REDD+: het kapjebosniet-programma van Verenigde Naties en Wereldbank. Herold is hoogleraar remote sensing. Specialist in meten van groei in grote bosbestanden uit vliegtuig en satelliet. Voor wetenschappers leek REDD een academische goudmijn.

De klus leek zo eenvoudig: Betaal de ontwikkelingslanden met een hoge graad van ontbossing, om dat bos te laten staan. Zo win je bos en vermijdt je emissie van broeikasgas, met een nieuwe vorm van ontwikkelingshulp. Het zou een manier zijn, waarmee landen met veel uitstoot hun emissies afkopen.

Volgens schattingen zou liefst 20 procent van de mondiale CO2-emissies door (tropische)ontbossing komen. (Dit percentage werd deze maand met 10 procent naar beneden gesteld in Science aan de hand van metingen tussen 2000 en 2005). En juist armoede is een belangrijke drijver van ontbossing via houtkap voor brandstof. De geldbron zou publieke poet zijn die zou vrijkomen uit internationale klimaatafspraken. Op papier tijdens klimaatafspraken in Bali in 2007 leek REDD uitvoerbaar. Volgens ingewijden van de Verenigde Naties zelfs ‘de makkelijkste en meest goedkope manier’.

Zoals Till Pistorius stelt van de Universiteit van Freiburg, die zes jaar voor de Duitse regering klimaatonderhandelaar was: ‘REDD was de worm aan de haak waarmee we ontwikkelingslanden bij klimaatafspraken konden betrekken’, zegt hij. ‘Die wilden geen regulering opgelegd krijgen, rond een klimaatprobleem dat ze zelf niet hadden veroorzaakt’.

 

Maar dan de praktijk.

Op het symposium ‘REDD+science+governance’ in Wageningen dit voorjaar blijkt die zoals gebruikelijk weerbarstig. REDD is alleen uitvoerbaar als deelnemende landen betrouwbare cijfers doorgeven van hun bosbestanden. En belangrijker voor REDD: Hoe erg was de ontbossing vóór 35 deelnemende landen waaronder Congo en Suriname een handtekening zetten bij de Wereldbank? Zonder betrouwbare cijfers van boshectares per land, weet je niet hoeveel CO2-emissies je vermijdt in tonnen per hectare via ‘vermeden ontbossing’ of via herbebossing.

Het risico dat REDD alleen op papier bos redt is reeel, zo blijkt nu. Een nieuwe studie in mei in Environmental Science and Policy van Erika Romijn en Martin Herold toont, dat juist de 49 landen met het meeste verlies aan bos- meest in Afrika- de slechtste bosboekhouding in hectares hebben tussen 2005 en 2010. Slechts 4 landen, waaronder Mexico hebben hun bos-huishoudboekje op orde, en zijn geschikt voor REDD. Maar dat zijn ook de 4 landen waar het bosareaal juist groeit.

REDD nodigt zonder objectief controleerbare boshectares uit tot perverse prikkels. Zoals REDD-consultant in India stelt, Swapan Mehra: ‘Een land dat meer wil verdienen aan REDD kan in de jaren vóór deelname de ontbossing opvoeren, of een hogere ontbossingsgraad opgeven. Dan is je startsituatie ongunstiger, en lijkt het ná deelname of je meer bos laat staan. En je krijgt op basis van je opgegeven inspanningen betaald.’ Dankzij corruptiegevoeligheid moeten beleidswetenschappers nu een omvangrijk extra controlesysteem ontwikkelen, de MRV (measuring, reporting & verifying) , dat landen bij REDD-programma’s op de vingers kijkt.

 

Een andere uitdaging is meer van technische aard: hoe reken je het bos om naar een hoeveelheid koolstof, en een vermeden CO2-emissie. Want dat is waar Westerse landen en bedrijven voor betalen (zie kader ‘de zak met geld blijft uit’), om hun emissiezonden te compenseren. Wetenschappers moeten namelijk niet alleen de koolstofinhoud van bomen weten, maar ook die van de bodem en de wortels.

In het jaar 2000 waren onzekerheidsmarges van 50 procent nog normaal bij satelliet- en vliegtuigmetingen via zogenaamde ‘remote sensing’ aan de hoeveelheid bosgroei, ontginning en kap. Alsof de groenteboer bloemkool aanbiedt voor een prijs tussen 75 cent en 1,25. Zoals Robert Watson opmerkte, het voormalige hoofd van klimaatpanel IPCC van de Verenigde Naties:

‘Ik vroeg me vaak af, wanneer ik in een vliegtuig over complexe boslandschappen vloog, how the hell kun je daar de koolstofvoorraad meten tot een paar procent nauwkeurig. De wetenschappers die de koolstofvoorraad meten, met satelliet of fluxtorens claimen allemaal dat ze dit met een zekere graad van nauwkeurigheid kunnen. Maar als ik naar beneden kijk, ben ik wel érg onder de indruk als die mensen gelijk hebben.’

Wanneer bedrijven en overheden miljarden euro’s zouden betalen voor CO2-compensatie via ‘vermeden ontbossing’, maakt een misrekening van een paar procent al een miljoenenverschil. Volgens Herold- true believer in REDD en specialist in remote sensing aan bosbestanden- is die nauwkeurigheid in 10 jaar beperkt verbeterd.‘Ik denk dat niemand, op een paar wetenschappers na, claimt dat ze op 5 procent nauwkeurig de voorraad koolstof in een bos kunnen meten’, stelt hij. Tegelijk zijn satellietmetingen betekenisloos, zonder controle met metingen van bosbestanden aan de grond. En die gronddata in Afrika kloppen nu dus niet.

 

Wat is een bos

Internationale klimaatonderhandelaars worstelen nu zelfs met de vraag hoe je een ‘bos’ moet definieren, en ‘bosdegradatie’. Eén definitie die de Verenigde Naties voor bos hanteert is ‘1 hectare met 15 tot 30 procent kroonbedekking van vegetatie tussen 2 en 7 meter’. Maar er zijn meer in omloop. ‘Ik erken dat er geen overeenstemming is in definitie van wat nu een bos is of ontbossing’, reageert Herold. ‘Ieder land kan zijn eigen definitie kiezen binnen een zekere graad van nauwkeurigheid. Belangrijker dan wélke definitie je kiest, is bij REDD de consistentie per land belangrijk, nadát je één definitie hebt gekozen.’

Maar klimaatonderhandelaar Pistorius is –juist dankzij het ontbreken van heldere definities- sceptisch geworden over mondiale‘grand-design’-klimaatprogramma’s als REDD. ‘Hoeveel overlegsessies hebben we wel met landen gevoerd’, stelt hij. ‘We moesten tot in de nacht door onderhandelen over voorwaarden voor deelname aan zulke programma’s met ontwikkelingslanden. Net als je dacht het eens te zijn en een deal sloot, dan bleek iedere delegatie met het zelfde bos en ‘ontbossing’iets anders te bedoelen. Zelf heb ik na 6 jaar onderhandelen het geloof verloren, dat je via zulke complexe programma’s iets bereikt.’

Volgens de Indiase consultant Mehra waren de verwachtingen bij REDD steeds te hoog gespannen. ‘In India bestaat REDD wel degelijk een business case waar bedrijven emissies kunnen afkopen’, stelt hij. ‘Maar REDD is niet bepaald het eerste idee dat ontstaat om bos te redden, en zal ook niet de laatste zijn. Het zal hooguit één van de vele manieren zijn in een land waarmee je boskap mindert.’

 

////////kaders

Afrikaans bos verdwijnt door behoefte brandhout

Ontbossing draagt volgens schattingen bij aan liefst 20 procent van de mondiale broeikasgas-uitstoot. Momenteel – volgens Wagenings tropisch bosdeskundige Martin Herold- 17 procent omdat in Zuid Amerikaanse landen de boskap is afgeremd. Is in Zuid Amerika en Azie commerciele houtkap en kap voor palmplantages de grote boosdoener met respectievelijk 70 procent en 67 procent van de ontbossing. In het snelst ontbossende continent Afrika speelt houtkap met 26 procent een kleine rol, ten opzichte van arme bevolking die kreupelhout verzamelt voor het kookpotje. Liefst 62 procent van het bos verdwijnt als houtskool in een vuurtje.

 

Westers geld blijft uit, kap gaat door

Dankzij het mislukken van grote klimaatconferenties als in Kopenhagen in 2009, blijven de miljarden euro’s van Westerse landen achterwege die voor REDD zouden vrijkomen. Daarnaast kampt REDD met een hoge corruptiegevoeligheid. Wagenings bosbeleidsonderzoeker Krystof Obidzynski ontdekte in REDD-land Indonesie in zijn onderzoek voorbeelden, waar het ambitieuze REDD-beleidsvoornemens botsen met de praktijk.

Zo stelde de Noorse regering de Indonesische regering 1 miljard euro REDD-gelden in het vooruitzicht, als ze een X-aantal niet nader omschreven boshectares laten staan. De Noren rekenen de REDD-hectares dan mee als ‘tonnen vermeden CO2-emissies per hectare’. Volgens de Indonesische regering zou dat bosareaal 60 miljoen hectare bedragen. Er is nu een 2-jarig kapmoratorium. Dat werd april 2011 getekend. Maar het bos dat op papier in één regio wordt bespaard, sneuvelt elders gewoon en de Noren houden nu de hand op de knip: ze gaven ‘slechts’ 30 miljoen euro aan de Indonesiers.

Neem het meest regenwoud-rijke deel van Zuid Oost Azie: Papoea Nieuw Guinea. Hier staan nog maar voor 142 duizend hectares aan palmolieplantages in 2010. Maar in de planning van de regering staan voor die regio tegelijk voor 1,5 miljoen hectare aan vergunningen voor kap voor plantages, een concessieaanvragen voor nog 2,14 miljoen hectare. Op Sumatra en Kalimantan staat ook nog voor 11 miljoen hectare aan oliepalm in de planning. Indonesie bloeit economisch dankzij haar marktaandeel van 45 procent in de mondiale palmolieproductie. Indonesie is tegelijk groot voorstander van REDD.