‘Als stroperij de wereld veiliger maakt, publiceren we dat ook’



Fossielenjager tussen uitgestorven soorten uit Jura


19-02-2012

Volgens invloedrijke publicaties in bladen als Nature zou de snelheid waarmee plant- en diersoorten nu uitsterven een ‘veilige grens’overschrijden. Maar tegelijk bestaat weinig experimenteel bewijs dat alle nu levende soorten onmisbaar zijn. Overdrijven ecologen dus het belang van deze zogenaamde biodiversiteit?

 

Het is 8 februari, de start van het jaarlijkse congres van het Netherlands Ecological Research Network (NERN) dat haar lustrum viert. Een verzameling van 300 ecologen uit Nederland, Vlaanderen en de rest van de wereld, zit bijeengepakt in congreshal ‘De Werelt’in Lunteren. Het Nederlandse deel is unaniem beledigd door Bleker’s voorgenomen Natuurwet. En door populaire kritiek op ecologen, zoals in het boek Plastic Panda’s van filosoof Bas Haring over het ‘opheffen van de natuur’. Hoewel best aardig, zouden al die diersoorten volgens Haring niet zo noodzakelijk zijn.

Die haring schoot in het verkeerde keelgat. ‘Ecologen zouden niet objectief zijn’, parafraseert dagvoorzitter Hans de Kroon bij zijn ontvangstwoord als hoogleraar experimentele plantenecologie. ‘Ze zouden teveel persoonlijk bij de natuur betrokken zijn. Wat moeten we met deze populaire kritiek? Moeten we vaststellen dat hij gek is geworden. Moeten we het belang van biodiversiteit beter uitleggen? Of heeft hij misschien zelfs een punt...’

 

In het antwoord op die laatste vraag, is Frank Berendse duidelijk bij zijn avondlezing op het congres: nee met uitroepteken. De Wageningse hoogleraar natuurbeheer en plantenecologie spreekt zelfs over het ‘nieuwe natuurfascisme van Bleker en Haring’. ‘Natuurlijk zijn er economische argumenten aan te voeren, zoals de vele diensten die de natuur levert’, stelt hij. ‘Neem het feit dat zonder de opname door planten de CO2-concentratie enorm zou stijgen. Maar belangrijker vind ik de morele verantwoordelijkheid die mensen voor andere wezens hebben’.

Invloedrijke artikelen als van ecoloog Johan Rockström in Nature in 2009 bevestigen Berendse’s betoog. Iedere soort minder is één te veel is. In het artikel‘ A safe operating space for humanity’schrijft de Zweedse ecoloog met collegae dat we qua soortenverlies al over de ‘veilige grens’heen zitten. Die grensoverschrijding baseert Rockström op de relatief hoge snelheid waarmee soorten nu verdwijnen, ten opzichte van andere periodes in de geologische geschiedenis.

Röckstrom zijn Nature-artikel verscheen echter niet als experimenteel onderzoeksartikel, maar als opiniërend wetenschappelijk advies voor politici in de reeks ‘The Road to Copenhagen’. Juist experimentele studies naar de ‘onmisbaarheid’van individuele soorten binnen ecosystemen blijken verrassend weinig gedaan, op beperkte schaal.‘De meeste studies zijn gebaseerd op graslanden, waarbij wetenschappers het functioneren van ecosystemen vergeleken na verwijdering van een soort’, legt aquatisch ecologe Lisette de Senerpont-Domis van het Wageningse NIOO uit bij haar lezing. ‘Pas de laatste jaren groeit het aantal onderzoeken naar hoe je het belang van soorten kunt meten in aquatische ecosystemen.’

Meestal toetsten ecologen hoe productiviteit verandert van plantengroei die kooldioxide met water en licht omzetten in droge stof. In water dragen algen en plankton die rol, van de zogenaamde primaire productie. Die productie dient als voedselbasis van het systeem. Hoge schommelingen in productie duiden dan op instabiliteit. De meeste studies keken alleen naar die basis. Niet naar soorten op hogere niveaus waarin de panda’s en grutto’s zitten, en hoe die stabiliteit beïnvloeden van het hele systeem.

De Senerpont-Domis benadrukt dat het belang van een soort lastig meetbaar is, in het eindeloos verknoopte netwerk van de natuur. ‘Omdat bewijs voor onmisbaarheid van soorten nog niet altijd is te geven, betekent dit niet dat je er dus wel zonder kunt’, reageert De Senerpont-Domis. ‘Ik vind dat een fout die veel mensen maken.’

 

Maar wordt de aarde minder leefbaar als één van de 3500 soorten muskieten op aarde verdwijnt? De laatste stand van ecologisch experimenteel onderzoek, relativeert juist het belang van individuele soorten . Voorlopig zou blijken dat het ‘beroep’van de soort belangrijker is voor het functioneren van een ecosysteem dan zijn ‘persoonlijkheid’. ‘Het is belangrijker wát soorten doen, dan wie ze zijn’, stelt De Senerpont-Domis. ‘Nieuw onderzoek richt zich nu veel op eigenschappen van soorten, zogenaamde traitmonitoring. Natuurbehoud richt zich meer op de veerkracht van ecosystemen dan losse soorten.’

De moderne vakliteratuur noemt bijvoorbeeld het ‘verzadigingseffect’: Een soortenarm ecosysteem kent vaak grotere schommelingen in productie. Maar er bestaat een punt, waar nog meer soorten niets extra’s toevoegen aan de productiviteit. Wel groeit de aandacht bij ecologen voor het ‘verzekeringseffect’. Met meer soorten, is er altijd één soort over die het ‘beroep’van de ander kan overnemen.

Nieuw Wagenings onderzoek richt zich op de behoeftes van bodembacteriën. Die hebben mondiaal een grote invloed op de koolstofkringloop via productie van methaan, een belangrijk broeikasgas. Hun ‘beroep’is waarschijnlijk veel belangrijker voor het mondiale klimaat, dan dat van panda’s of grutto’s, die qua ‘persoonlijkheid’meer aanspreken.

 

Populaire kritiek op (sommige) ecologen komt dus niet helemaal uit de lucht vallen. De medische biologie toont bijvoorbeeld, hoe de wereld voor mensen veiliger werd met minder biodiversiteit. De entomoloog (insectkundige) Bart Knols –onder andere werkzaam voor het Academisch Medisch Centrum in Amsterdam – beschreef in zijn boek ‘Mug’ hoe ons land afgelopen eeuw malariavrij werd. Dit lukte dankzij een gerichte overheidscampagne tegen met malariaparasieten besmette Anopheles-muskieten. Bestrijdingsmiddel DDT en ontginning van moerasgebied, waren de belangrijkste succesfactoren.

Zouden ecologen die negatieve kanten van biodiversiteit ook rapporteren? Wel volgens bosecoloog Patrick Jansen van het Smithsonian Tropical Institute en Wageningen Universiteit. Hij doet onderzoek naar ecologische kettingreacties die ecologen ‘trofische cascades’noemen. Wanneer je één laag dieren met het zelfde ‘beroep’uitroeit via bejaging- bijvoorbeeld toproofdieren- kan zijn prooi snel toenemen. Door vraat verandert zo dankzij jacht ook de plantengroei.

‘Veel tropische bossen zijn gedeeltelijk leeggejaagd voor bushmeat’, geeft Jansen als voorbeeld. ‘In Panama onderzoeken we de gevolgen voor infectieziekten die worden overgebracht door teken. We denken dat bepaalde ziekteverwekkers exploderen in leeggejaagde bossen, omdat de fauna door knaagdieren wordt gedomineerd. Steun voor die hypothese is een extra reden kunnen om fauna te beschermen. Maar toont het onderzoek het tegendeel, dan gaan we dat ook gewoon publiceren. Zelfs al zou dit suggereren dat stroperij de wereld veiliger maakt voor mensen.’

Of een topblad als Nature met haar politieke invloed dié boodschap dan ook op haar cover wil publiceren, dát is weer een ander verhaal.

 

 

 

 

/////kader

 

‘We kunnen ecologen niet geloven’

 

‘Ecologie is een zachte wetenschap’, stelt dagopener van het congres van het Netherlands Ecogical Reserach Network (NERN) Jaap van der Meer van het Nederlands Instituut voor Onderzoek naar de Zee (NIOZ): ‘Juist daarom moeten we kritisch blijven op onszelf, anders gaat het fout. Dan ontstaat snel de indruk dat je ecologen niet kunt geloven.’

Als voorbeeld noemt Van der Meer een studie die mariene ecologen in Nature publiceerden in 2010. Daaruit zou blijken dat de hoeveelheid plankton in de oceanen afgelopen decennia met 40 procent zou zijn afgenomen. En zonder al dat plankton blijft veel meer broeikasgas CO2 in de atmosfeer hangen.

De studie had dankzij de vermeende gevolgen voor het mondiale klimaat veel sex-appeal. Niet alleen namen alle wereldmedia de conclusies over na lancering van het persbericht, de studie werd ook 56 maal geciteerd in andere wetenschappelijke publicaties. Maar de studie bleek op ondeugdelijke wetenschap gebaseerd. ‘De auteurs hadden andere meetreeksen genegeerd’, stelt Van der Meer.

 

///

‘Beroep op moraal niet meer afdoende’

 

Ook bij uitleg van het belang van natuurbehoud moeten ecologen kritisch op zichzelf blijven, volgens hoogleraar experimentele plantenecologie Hans de Kroon van Radboud Universiteit. ‘Ik denk niet dat je bij natuurbehoud nog wegkomt met alléén een beroep op ethiek’, reageert De Kroon desgevraagd. ‘De nadruk op morele verantwoordelijkheid van de mensheid voor het leven domineerde in de jaren ’80 en daarvoor ook al. We moeten nieuwe manieren vinden om het belang van natuur uit te leggen aan het grote publiek, minder dogmatisch zijn en misschien meer bedrijven benaderen dan de overheid.De relatieve luxepositie waarin de Nederlandse natuurbescherming afgelopen decennia zich bevond bij de overheid, die keert niet meer terug.’