Prijs de Aarde



Amanatuurfotografen nemen ecosysteemdiensten af van edelherten op de Hoge Veluwe. Zij betalen daarvoor aan de kassa bij het Nationaal Park. Zonder begrenzingen is de toegangsprijs lastiger te bepalen. Biodiversiteit is zo eerder een banengenerator voor bureauecologen.


02-10-2010

Volgens pleitbezorgers van zogenaamde ‘ecosysteemdiensten’ onder leiding van bankier Pavan Sukhdev, tikken we de waarde van biodiversiteit voortaan af op de kassa. Alleen harde cash zou beleidsmakers en bedrijven voldoende aanspreken bij natuurbehoud. Maar de meest soortenrijke natuur blijkt niet beslist meer geld waard.

 

De tijd dat Moeder Aarde gratis haar diensten leverde lijkt voorbij. Steeds vaker schrijft zij gewoon rekeningen. Wagenings bijenonderzoeker ecoloog Tjeerd Blacquiere maakte in ‘De Levende Natuur’al een schatting van de declaratie die bijen kunnen neerleggen bij tuinders: 1,1 miljard euro dragen zij bij aan de groente- en fruitoogst via bestuiving. Pavan Sukhdev, hoofd Global Markets Division van de Deutsche Bank pakt het ambitieuzer aan. Hij werpt zich nu zelfs op als accountant van de hele planeet.

De 11 procent van het aardoppervlak, die momenteel beschermde natuurstatus heeft, zou jaarlijks maximaal 5,5 biljoen dollar opleveren aan ‘ecosysteemdiensten’: goederen en service die de natuur levert zoals natuurgenot en klimaatregulatie, maar die nu nog buiten het huishoudboekje vallen van de economie. Tegelijk zouden mensen astronomische schades veroorzaken, die nu onvermeld blijven. Verlies van biodiversiteit bijvoorbeeld. In Europa zou in dit decennium alleen al 50 miljard euro schade ontstaan door soortenverlies. En ‘van alle onderzochte ecosysteemdiensten is 60 procent aangetast, met menselijke invloed als wortel van het probleem’.

De aannames staan voorgerekend in ‘The Economics of Ecosystems and Biodiversity’(TEEB). Dit is een rapportenreeks onder verantwoordelijkheid van de Verenigde Naties, waarvan Sukhdev studieleider is. Deze zomer verscheen het TEEB-rapport voor bedrijven. Het eerste Europese deel van TEEB verscheen al in 2008 in opdracht van Eurocommissaris Stavros Dimas.

De politieke invloed van ecosysteemdiensten groeit sterk. Bij natuurbeschermers groeit namelijk het geloof, dat alleen harde cash beleidsmakers overtuigt van de natuurwaarde. Want het staat vast dat het doel van de Convention on Biodiversity (CBD) niet wordt gehaald. Volgens dit in 1992 door 150 landen ondertekende verdrag moest dit jaar de teruggang van biodiversiteit zijn afgeremd. De bankier Sukhdev is nu zelfs de centrale figuur bij de nieuwe CBD-onderhandelingen op 18 oktober in Japan.

Ook ‘s werelds fanatiekste voorvechtster van ‘ecoystem services’, de biologe Gretchen Daily heeft belangrijke vrienden. Zoals de wetenschappelijk adviseur van president Obama, John Holdren. In eigen land stelde klimaatgoeroe Pier Vellinga deze maand al dat ‘ecosysteemdiensten de basis worden van ons natuurbeleid’. Toch is het nog de vraag of natuurwaarde zich in geld laat uitdrukken.

 

Meer biodiversiteit is niet meer waard

 

In het kielzog van het enthousiasme rond TEEB, lieten ministeries van VROM en LNV het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) het onderzoek ‘Ecosysteemdienst in Nederland’uitvoeren. Het rapport vertaalde de methodiek van TEEB naar Nederland. Maar het Planbureau zag voor Nederland nog geen toepassing voor ecosysteemdiensten. Het begrip zou nog te slecht zijn uitgewerkt.

‘De Ministeries vonden onze nuancerende conclusies soms teleurstellend’, stelt bioloog Rijk van Oostenbrugge, die het onderzoek leidde. ‘Pleitbezorgers van ecosysteemdiensten stellen bijvoorbeeld vaak dat meer biodiversiteit altijd meer geldelijke waarde vertegenwoordigt. Dat is maar de vraag. Met een monotoon rietmoeras kun je misschien wel net zo goed water zuiveren. En met een snelgroeiende monocultuur van bos kun je misschien wel beter CO2 opslaan.”

Van Oostenbrugge wijst op een kritiekpunt, dat Nature op 19 november 2009 ook aanstipte in een artikel over het missiewerk van Daily. Bij foutief gebruik van het begrip ecosysteemdienst, loop je het gevaar dat je juist afbreuk doet aan biodiversiteit. Een aardig voorbeeld is hier de opbloei van de krabvisserij bij New Foundland, dankzij het verdwijnen van roofvijand de kabeljauw. De krabben leveren meer geld op.

De financieel meest aantrekkelijke diensten, zoals landbouw werken ook zonder maximale biodiversiteit. Zoals Andrew Hector en Andy Wilby schrijven in hun meta-analyse van 10 jaar onderzoek in ‘Biodiversity and Ecosystem Functioning’: ‘Er bestaat een positieve relatie tussen biodiversiteit en het functioneren van ecosystemen. Maar diverse soortgemeenschappen presteren zelden significant beter (in biomassaproductie RZ) dan monocultures van soorten die ze bevatten.’

 

 

Wat kost een intact ecosysteem?

 

TEEB rekent dan ook niet met biodiversiteit als ‘maximaal aantal soorten’. Het hanteert onder andere de mean species abundance index, de aantallen per soort. Een oorspronkelijk, goed functionerend systeem zou maximale aantallen per soort huisvesten, gesteld op 100 procent.

Dat oorspronkelijke systeem is volgens TEEB een ‘van nature’ontstaan gebied, zoals voor de Industriële zondeval bestond. Een gebied dat ooit door landbouw is ontgonnen, zoals Nederland krijgt met deze index automatisch een strafkorting van 80 procent. Ook al zijn er nu meer soorten aanwezig dan 1900.

‘De vraag wat een intact systeem is levert een interessante discussie’stelt Rob Alkemade van het Planbureau voor de Leefomgeving. Hij werkte mee aan het onderzoek met Oostenbrugge. ‘Sommige ecologen bedoelen bij ‘intact’een goed functionerend ecosysteem. Anderen een oorspronkelijk, van nature ontstaan systeem. Die laatste aanname gebruikten wij ook.’ Veel ecologen zijn pragmatisch. Robert Scholes gebruikt in Nature in 2005 bijvoorbeeld een natuurreservaat als ijkpunt.

‘Maar zelfs als je één definitie hebt, is intactheid in de praktijk moeilijk te meten. Oorspronkelijke systemen, met hooguit jager-verzamelaarsinvloeden bestaan nauwelijks nog op aarde. Dus hoe scheidt je bijvoorbeeld menselijke en natuurlijke invloeden. En hoe vertaal je dat verschil naar waarde van diensten of schade? Onderzoek daarnaar staat nog in de kinderschoenen.’ Volgens Alkemade overschat je zo al snel de schade, maar ook het omgekeerde is mogelijk.

Het team van Sukhdev rekent nu wél de ‘schade’bij ontgonnen natuur mee. Eenmaal ‘verstoord’is verstoord. Maar herstel van biodiversiteit na een eerdere ontginning telt niet mee als winst. Terwijl studies in het Braziliaanse Jari bijvoorbeeld tonen hoe 25 jaar na totale verwoesting van regenwoud meer dan 50 procent van de biodiversiteit terugkeert. Is dus al nauwelijks bekend wat een ‘intact systeem’mag kosten, wanneer je alleen verlies meerekent zit je per definitie aan de zwartgallige kant.

 

 

Mensen spelen ecologisch vals

 

Daarnaast doet iedere productiviteitsverhoging in landbouw in TEEB, automatisch afbreuk aan de draagkracht van natuurlijke ecosystemen. Dat ligt deels aan de gebruikte rekenmethodes. De 135 procent extra oogst per hectare van de afgelopen decennia ontstond vooral door landbouwinnovatie, via toevoeging van (fossiele) energie en kunstmest. Die extra onttrekking van energie via plantaardige productie, gaat dus niet beslist ten koste van energiestromen in natuurlijke ecosystemen. Zij is ‘kunstmatig’opgeblazen. De productiviteitsgroei per hectare, spaarde zo relatief gezien zelfs de ontginning van een natuuroppervlak ter grootte van de Verenigde Staten. (zie kader)

Ecologisch econoom Leon Braat, één van de auteurs van de eerste TEEB-versie erkent de beperkingen. Toch wil hij de methodiek graag verdedigen. ‘Ik ben van mening dat energietoevoer in de vergelijking mee moest bij TEEB’, erkent hij. ‘Maar mijn invloed was niet zo groot dat ik dat er door kreeg. We doen verder niets mystieks. Er is een bepaalde hoeveelheid primaire productie op aarde, en alle studies die wij gebruikten toonden dat mensen daar nu al op beknibbelen. Dat heeft een prijs, die je kunt berekenen. Met innovatie kun je die grenzen oprekken, maar niet tot in het oneindige. Vaak verplaats je problemen. Ook bij kunstmest zie je dat je nu al met de eindigheid van fosfaatvoorraden te maken krijgt. ’

Er is natuurlijk nog een andere optie. Misschien moeten we de diensten van de natuur zien als smartengeld, voor de vele ziekten en rampen die ze veroorzaakt. Het Brabantse Wereldnatuurbestrijdingsfonds heeft alvast haar eigen giro geopend, om de aarde aan te klagen.

 

/////

Kaders.

 

TEEB in praktijk: Nationaal Groenfonds

 

De behoefte om de waarde van de aarde te bepalen is niet nieuw. Eén schatting van ecologisch econoom Robert Constanza die in 1997 in Nature verscheen, stelde de dienstverlening van alle biomen op aarde op gemiddeld 33 triljard dollar. Dat was ongeveer twee maal het toenmalige Bruto Nationaal Product van de wereld.

De econoom Roefie Hueting wees al in de jaren zeventig op de tekortkomingen van het gangbare huishoudboekje, het Bruto Nationaal Inkomen. Zijn oplossing: geef ook gebruik van grondstoffen en land een plaats.Hij werd grondlegger van het Duurzaam Nationaal Inkomen. Met econoom Jan Tinbergen publiceerde hij in 1991 ook ’s werelds eerste ruwe schatting van het duurzaam mondiaal inkomen. Maar volgens Hueting negeert de moderne milieubeweging hem.

‘Hueting was een roepende in de woestijn’, zegt Rijk van Oostenbrugge van het PBL. ‘Het voordeel van ecosysteemdiensten is dat je nu het momentum hebt om te wijzen op de waarde van natuur. En je kunt laten zien aan beleidsmakers dat het niet alleen gaat om plantjes en beestjes.’

In de Nederlandse praktijk is economisering van natuur al gangbaar dankzij de in 1997 wettelijk verankerde‘natuurcompensatie’. Hectares in de Ecologische Hoofdstructuur die verdwijnen bij aanleg van een bedrijventerrein, zoals bij Greenport Venlo, belanden als compensatiegeld in het Nationaal Groenfonds.

 

Vooruitgang is ondergang?

 

Om de impact van mensen op aardse ecosystemen te kwantificeren, gebruiken ecologisch economen onder andere de HANPP. (Human Appropriation of Net Primary Productivity) Dat is een rekenmaat, om het door mensen benutte aandeel van plantaardige productie op aarde te berekenen. Dit begrip komt uit de denkschool van ecoloog Paul Ehrlich in Stanford. Deze ecoloog leidde ook Gretchen Daily op.

De menselijke consumptie in HANPP-berekeningen, vertaald naar plantaardige productiviteit, komt uit landbouwstatistieken. Zoals van de FAO. De productiviteit van ecosystemen op land volgt uit modelschattingen. Zo straft de HANPP automatisch iedere vorm van technische vooruitgang en productieverhoging per hectare in de landbouw. Want het neemt aan, dat alle energie via biomassa die mensen consumeren uit landbouwoogst, automatisch ten koste gaat van energiestromen in ecosystemen op land. En dat zij dus automatisch meer (natuur)oppervlak gebruiken, wanneer consumptie groeit.

Toch komt de productiviteitsgroei vooral dankzij ‘kunstmatige’ toevoeging van fossiele energie en plantenveredeling. Een deel van de energie in graanveld is van fossiele oorsprong mede dankzij gebruik van kunstmest. En ‘moderne’landbouwgewassen zetten meer zonne-energie om per hectare dan ‘natuurlijke’gewassen. Die extra energie is dus niet beslist onttrokken aan de totale ‘draagkracht’van de aarde, de geschatte totale productie van terrestrische ecosystemen.

Bij goed management kan invoering van moderne efficiënte landbouw dus natuur sparen via vermeden ontginning. Schattingen, zoals dit voorjaar gepubliceerd in PNAS stellen dat landbouwmodernisering juist een natuuroppervlak uitspaarde ter grootte van de Verenigde Staten.