Voor God spelen op 5 hectare



Bosanemoon


22-05-2010

In de Heemparken van Amstelveen vind je exclusief autochtone plantengroei als ‘guigelheil’, wildemanskruid en vele planten die in ons land bijna uitsterven. Deze maakbare natuur op een steenworp afstand fungeert als een floristische ark van Nederland.

Het is tijd om iets te verklappen: het best bewaarde groene geheim van groot Amsterdam. Achter de villa’s in Amstelveen, intussen hockeyvelden en Amsterdamse bos ingeklemd ligt het dr. Jac. P. Thijssepark. Koreanen hebben van dit park een eigen kopie van gemaakt, Engelse ‘garden specialists’komen overgevlogen om onze autochtone flora hier te bewonderen, Russen rijden er tijdens een rondje Europa voor om.

U vindt hier in 5 hectare een handgemaakte doorsnede van alle Nederlandse landschappen en hun flora. Het park is een ‘heempark’, afgeleid van ‘heim’, in het Fries ‘hiem’ zoals bij Bartlehiem en het betekent ‘je eigen erf: van hier dus. In heemparken dus geen plantaardige buitenlandse indringers, maar alleen in Nederland ingeburgerde Bataafse planten zoals deze hier al in 1825 voorkwamen.

Dat vroeg negentiende eeuwse jaartal gekozen door het Amstelveense Heemparkbestuur, omdat toen de eerste serieuze Nederlandse Flora (plantengids) verscheen. De vegetatiekundige Victor Westhoff, aartsvader van de plantensociologie (zie kader) in Nederland hanteerde 1880 als ijkpunt van onze vaderlandse bloemenwereld. Dat was het jaartal vóór grootschalige landbouw met kunstmest haar invloed deed gelden op de toen afwisselende plantengroei.

Bij een hoog gehalte aan voedingstoffen, zien enkele generalisten de kans om de waaier aan specialistische planten te verdringen die op de voedselarme grond groeit. Vergelijk die generalisten met de buurtsuper, die de banketbakker, groenteboer en speciaalzaakjes wegconcurreert met stuntprijzen.

 

De beste bezoektijd in het Thijssepark is nu. Op dit moment ellebogen de bosanemonen, kievitsbloemen, wildemanskruid en andere voorjaarsbloeiers zich een weg naar boven: dat heet de bloeitijd. Voor alle blaadjes aan de bomen zitten en het zonlicht opsouperen, moeten de kleurige ruikertjes hun kansen grijpen. De romantisch aandoende vredigheid van het Thijssepark is dan ook schijn. De kleurige planten doen alles om de concurrentie een stap voor te zijn op weg naar zonlicht.

Dat op dit 5 hectare grote slagveld desondanks 500 verschillende soorten in de open lucht naast elkaar groeien, ligt dan ook volledig aan de hoveniers.“We kunnen toch op die arme veengrond zoveel Nederlandse soorten van verschillende regio’s laten bloeien, omdat we per deel de onderlinge concurrentie tussen planten uitschakelen”, zegt beheerder Arien Slagt. “Handmatig halen we per vlak de ongewenste soorten weg. Zonder die concurrentie blijken zelfs soorten die normaal gesproken op kalkrijke hellingen in Zuid Limburg groeien. Hier op de veengrond te kunnen leven.”

Iedere plant heeft zijn eigen groeioptimum, waarbij hij het beste bestand is tegen concurrentie. Het mooiste voorbeeld is hier het zinkviooltje. Deze bloem kwam begin vorige eeuw nog veel voor in het Limburgse Geuldal omdat zinkmijnen hier hun afval loosden. Het zinkviooltje had geen zink ‘nodig’, het bloemetje was hooguit een kei in het weerstaan van zinkvergiftiging. In dat vijandige milieu hield het viooltje zich staande waar zwakkere broeders het loodje legden. Nu de zinkvervuiling in Limburg weg is, wordt het viooltje weer verdrongen door andere planten. Zo blijkt nog eens dat ‘milieuvervuiling’vaak een relatief begrip is.

Al lopend kun je volgens de regels van de plantensociologie de soorten vinden die ook in het wild bij elkaar groeien, en een ‘plantengemeenschap’ vormen. Soorten die elkaar niet naar het leven staan, maar die elkaar letterlijk de ruimte geven. Zoals van een heidelandschap waar de gaspeldoorn met struikheide en berk bij elkaar staat. De verschillende delen staan bij de 10 hoveniers in de heemparken bekend als Drenthe of Limburg. De hoveniers van heemparken geven wel af en toe een eigen draai aan de plantengemeenschappen, en spelen een beetje voor god op hun eigen hectare.

‘Kijk, dit vind ik zelf mijn favoriete deel”, zegt Slagt. “We hebben hier een berkenbos aangeplant, met daaronder een veld met stinkende gouwe. Als die stinkende gouwe straks geel uitbot, krijg je een simpele kleurcombinatie die heel erg sprekend is. We houden ons dus niet strikt aan plantensociologie, het is vaak meer schilderen met planten. Wel schatten we in welke plantensoorten bij elkaar passen, of ze op de veenbodem inburgeren. De meeste nieuwe Nederlandse soorten wennen snel aan onze bodem, dus Wilders zal er blij mee zijn.”

 

Met de Heemtuingids van de Gemeente Amstelveen erbij en de determinatietabel uit standaardwerk de Heukels Flora kun je eventueel weggezakte plantenkennis weer ophalen. De Nederlandse flora gaat pas leven, als je het plantje bij zijn naam kan roepen. Maar bezoekers kunnen ook gewoon de bloemen voorbij rennen als kleurig tapijt, zoals enkele zwetende joggers tonen. Uiteindelijk zijn de Amstelveense Heemparken namelijk vooral recreatief bedoeld.

Wel fungeren heemtuinen steeds meer als een floristische ark van Nederland. “We hebben hier verschillende soorten bloeien, die in het wild uitgestorven raken”, zegt Slagt die wijst op een langharig werkschuw plantje, het wildemanskruid. “We bezitten in onze kwekerij vaak nog zaad van origineel genetisch materiaal. We wisselen ook materiaal uit met natuurorganisaties en behouden zo planten voor het land. Al heb ik wildemanskruid laatst herontdekt in Limburg langs het Miljoenenlijntje.”

In de Heemtuin kun je dus weer even nostalgisch lopen door de plantaardige rijkdom die normaal was in de negentiende eeuw, en die Westhoff beschreef in zijn floristische standaardwerken. Met een stukje weemoed, omdat de flora in Nederland verschraalt door schaalvergroting in landbouw en natuurbeheer. “Vergelijk de plantengemeenschappen met winkelstraten”, zegt Slagt. “Er zijn steeds meer van, maar ze hebben overal de zelfde Hema en Zeeman. In de tuin kun je jezelf nog even in die vele kleinschalige afwisselende landschapjes wanen, die ooit gewoon waren in ons land. ”

 

///kaders

 

Natuurbeheer is tuinieren

 

Victor Westhoff richtte binnen natuurstudiebond NJN in 1937 de eerste plantensociologische werkgroep op, met eigen blad ‘Kruipnieuws’. Samen met Jacques Meltzer schreef hij in 1942 het eerste standaardwerk van Nederland: ‘Inleiding tot de Plantensociologie’. Westhoff bleef invloedrijk tot aan zijn dodelijke auto-ongeluk in 2001.

De plantensocioloog herkent het type natuurgebied aan de plantengemeenschap. Iedere gemeenschap heeft een leider of een ‘gemeenteraad’ die de ‘politieke kleur’bepaalt: een zogenaamde kensoort, of een groep kensoorten die altijd gezamenlijk voorkomen op bijvoorbeeld arme veengrond. Die kensoorten vormen daar zogenaamde ‘associaties’waaraan je het natuurtype herkent. Bij landelijk natuurbeleid ontvangen beheerders op basis van die kensoorten subsidie.

In het dr. Koos Landwehrpark aan de Amsterdamseweg vind je bijvoorbeeld een plantengemeenschap van Blauwgrasland. Dit nu zeldzame natuurterrein ontstond op veen langs riviertjes door het plaggen van keuterboertjes. De kensoorten, waaraan je blauwgrasland herkent zijn blauwe zegge, pijpenstrootje en borstelgras.

Westhoff inspireerde het klassieke Nederlands natuurbeheer, dat de praktijk van negentiende-eeuwse keuterboertjes imiteert om zoveel mogelijk soorten te behouden. In de jaren zeventig kwamen de dwarse babyboomers van Kritisch Bosbeheer in opstand tegen Westhoff’s natuurvisie, dat was volgens hen ‘tuinieren’. Deze Wageningers promootten de nu populaire ‘wildernis’ zoals in de Oostvaardersplassen, waar oerkoeien en paarden de beheerder vervangen.

 

 

Frolickeutel

 

Het Jac. P. Thijssepark in Amstelveen werd vernoemd naar de aartsvader van de Nederlandse natuurbescherming, die zelf in Bloemendaal zijn eigen Thijsse’s hof kreeg. De vorige voorzitter van de in totaal 6 Amstelveense Heemparken wilde het bestaan geheim houden. Hij wilde alleen liefhebbers trekken met oog voor detail, in plaats van de Nederthaler met zijn golden retriever. Nog steeds zijn honden niet toegestaan vanwege vertrapping en de Frolickeutels die ze nalaten.

Het park onderdeel is van de 6 Heemparken en 10 stukken Heemgroen. Tuinarchitect Chris Broerse was het brein achter de aanleg vanaf de jaren veertig vorige eeuw. In Nederland bestaat een netwerk van beheerders van ‘natuurlijke’tuinen, zoals heemtuinen en stinzentuinen. Zij hebben hun eigen zaadbank voor inheemse planten, de Cruydthoek, een hoveniersvereniging ‘wilde weelde’ en een eigen blad Oase.

 

www.cruydthoeck.nl

www.wildeweelde.nl

www.thijssepark.nl

www.thijsseshof.nl