De spoken van de natuurbescherming



01-02-2010

Het refrein van moderne natuur- en milieubescherming luidt: de mens vernielt de aarde en De Klimaatverandering is de grootste bedreiging. Maar de fusie tussen natuurbehoud en klimaat maakt meer kapot dan veel ecologen en beschermers lief is.

 

De kruitdampen van Kopenhagen zijn nog maar net opgetrokken, en dan is het alweer 2010: het Internationale Jaar van de Biodiversiteit. Ging afgelopen jaar het klimaat ten onder in media, nu zijn de planten en dieren weer aan de beurt. Maar ondertussen staat een zogenaamde ‘elefant in the room’van de natuurbescherming, waarop steeds meer wetenschappers wijzen uit de wereld van ecologie en beschermingswetenschap.

Natuurlijk zijn grote duistere krachten globaal aan het werk. Maar als die natuur altijd maar zo achteruit blijft gaan, terwijl natuurbeschermers geen gebrek hebben aan media-aandacht en politieke goodwill: doen ze hun werk dan wel goed? Kloppen voorspellingen wel over de ondergang van vrijwel alle leven? En is het wel terecht om klimaat en biodiversiteit op één hoop te gooien? In antwoord op deze knagende vragen volgt hier een overzicht van de lijken in de kast van de moderne natuurbescherming. Zo kunt u zich alvast wapenen tegen de komst van al te duistere claims voorzien van gironummer.

 

Lijk 1: Voorspellingen massa-uitsterven kloppen niet

 

Bijzonder mediageniek zijn scenario’s over massa-extincties als gevolg van ‘de Klimaatverandering’, waarvan er natuurlijk maar één echte is. Alle ondergangsscenario’s zijn gebaseerd op een combinatie van temperatuurprojecties van het IPCC en geografische modellen, die de huidige verspreiding van soorten lineair koppelen aan temperatuurverandering. Zitten de soorten nu al tegen een noordrand van hun verspreidingsgebied, of ‘gevangen’in een door opschuivende boomgrenzen krimpende alpenweide, dan geldt al snel de conclusie: gedoemd!

Een vrolijke bloemlezing: De ijsbeer zou deze eeuw het loodje leggen, wanneer zijn voortbestaan lineair samenhangt met het oppervlak aan zee-ijs. De ijsbeerdoem volgt eind deze eeuw volgens bioloog Steve Amstrup, en het Wereldnatuurfonds maakte er alvast 2025 van. Het regenwoud droogt komende eeuw uit volgens het laatste IPCC-rapport, en de bloemen zouden uit de Alpenweides verdwijnen volledig van de kaart.

Het zijn niet de minste publicaties, die kommer en kwel verkondigen. Volgens een studie van Cambridge-zooloog Chris Thomas in Nature zou liefst 18 tot 35 procent van alle gewervelden ‘gedoemd zijn om uit te sterven voor 2050, dankzij aardopwarming’. (Nature, Thomas et al 2004) Deze paper werd veelvuldig geciteerd, zowel door het IPCC in 2007, als National Geographic en massamedia. Hierbij maakte de spotvogel zijn primeur in een lange reeks navolgende mediaoptredens. De zangvogel, die van september tot mei in tropisch Afrika leeft, zou in Noordwest Europa uitsterven door de warmte.

Zoals vaker bij dramatische modelprojecties stelden de onderzoekers in hun persbericht dat het ‘om conservatieve schattingen’ging. Maar juist die claims blijken onterecht. “De meeste voorspellingen die een link leggen tussen klimaatverandering en het uitsterven van soorten zijn ronduit lachwekkend”, verklaart prof Kathy Willis van de School of Geography and Environment aan de Universiteit van Oxford. Willis publiceerde in Science van 6 november haar paper over ‘Biodiversity and Climate Change’. Hier gaf ze een overzicht van nieuw, nauwkeuriger modelonderzoek dat veel projecties relativeert.

“Je mag het bijna niet zeggen, omdat je dan meteen wordt ingedeeld bij het kamp van de klimaatsceptici”, zegt Willis. “Toch houden modelvoorspellingen over biodiversiteit en klimaat tot nu toe geen enkele rekening met de biologische werkelijkheid, zoals gedrag van dieren, aanpassing, voedsel, habitatkeuze en topografie van gebieden.”

Nieuwere onderzoeken rekenden niet alleen met klimaat en temperatuur, maar ook de echte natuur en op een minder grove schaal. Wanneer biogeografen bijvoorbeeld bij klimaatverandering ook het CO2-fertilisatieeffect meerekenen blijkt het regenwoud eventuele negatieve effecten grotendeels te compenseren.(Lapola et al, Biogeochemical Cycles 23 2009) Maar ook de voorspelde verdwijning van alle Alpiene plantensoorten blijkt volledig uit de lucht gegrepen, wanneer modellen van minder grove topografie gebruik maken.

 

De invloedrijke Nature-studie legde een sterke nadruk op endemische soorten die nu al aan de rand van hun verspreidingsgebied leven, en extrapoleerde dit naar de rest van de wereld. De geclaimde uitsterfpercentages zijn wel te toetsen. Wanneer de voorspelling voor 2050 moet uitkomen, zouden jaarlijks in het minumumscenario bijvoorbeeld 36 vogelsoorten moeten uitsterven door ‘De Klimaatverandering’. In de afgelopen jaren sinds Thomas et al dus al een soort of 150, wanneer we op koers willen blijven. Een analyse van gedocumenteerde achteruitgang bij vogels in de echte natuur en de oorzaak daarvan, levert alvast een ander beeld.

Willis schreef samen met prof Keith Bennett van de School of Geography aan Queens University in Belfast een overzicht van uitsterfrisico’s bij vogels. Dit deden zij op basis van de Rode Lijst van IUCN en Birdlife International. Sinds het jaar 2000 zijn 16 soorten opgeschoven richting de zwaarste ‘kritiek bedreigd/uitgestorven’-categorie. Een deel van de toename door uitsterven, wordt veroorzaakt door een betere kennis van het fossielenkabinet. Er zijn uitgestorven soorten gevonden die niet eerder waren ontdekt.

In acht jaar tijd onderkent Birdlife in totaal 24 soorten die zijn opgeschoven naar een hogere categorie van bedreiging sinds 2000.. Bij tien soorten werd houtkap als oorzaak vermeld, terwijl van de ‘extreme weergebeurtenissen’uit Thomas et al geen invloed was te zien. “De factor die de grootste afname veroorzaakte, was hier een vorm van directe menselijke actie als habitatdestructie, jacht, visserij en de introductie van ratten en slangen”, schrijven Willis en Bennett. Zij komen op basis van waargenomen extincties tot een uitsterfpercentage, dat een factor twee onder dat van Thomas et al ligt voor 2050.

“En daarbij blijft directe menselijke impact de belangrijkste bedreiging. Het zijn deze directe menselijke activiteiten waarop we onze belangrijkste beschermingsinspanning op moeten richten, niet klimaatverandering.” Zij citeren onder andere een paper van Zink et al (Phil.Transactions of the Royal Society 2004), waaruit bleek dat de meeste moderne soorten ook de laatste glacialen en interglacialen overleefden.

Andere plaatsen waar veel vogels uitsterven door ‘het klimaat’ zijn de ‘Climatic Atlas of European Breeding Birds’, die vorig jaar april ook in Nederland uitkwam. ‘De Klimaatverandering vormt de allergrootste bedreiging voor vogels’, zo stelde Vogelbescherming bij verschijning. Zo zou bijvoorbeeld de mondiaal verspreide velduil als klimaatvluchteling wegtrekken voor de warmte. De spotvogel maakte opnieuw zijn opwachting in de kolommen.

De atlas baseert zich op het modelleerwerk van de Climate and Ecology Group van de Universiteit van Durham, die ook bijdroeg aan de ‘doom’studie in Nature. De onderzoekers van de universiteit van Durham verzamelden de aantalontwikkelingen over de laatste veertig jaar van de Britse vogelbescherming RSPB, de Franse vogelbescherming en Sovon Vogelonderzoek. Zij koppelden die verspreidingsgegevens over 40 jaar en trends in verspreiding aan de tot nu toe waargenomen temperatuurstijging, en projecteerden die aantalsontwikkelingen op de toekomst volgens klimaatmodellen van het Hadley Centre. Maar liefst 75 procent van de bestudeerde vogels in Europa zouden ‘nu al last hebben van ‘De Klimaatverandering’, stelden de onderzoekers voor de BBC op 3 maart 2009.

Iedere correlatie in trends werd echter als relatie vertaald met klimaat. Terwijl de invloed van landbouwintensivering de afgelopen decennia volgens Duits ornitholoog Josef Reichholf de meest ingrijpende gebeurtenis vormt voor Europese biodiversiteit van de laatste duizend jaar.

De ecomodelleerders uit Durham verklaren bij hun modelleerwerk bovendien dat ‘deze simulaties geen rekening houden met andere factoren die bepalen of soorten een gebied kunnen bezetten, zoals de beschikbaarheid van geschikt habitat of voedsel’. Onderzoeksleider Brian Huntley wil desgevraagd helaas geen reactie op de toegezonden vraag, of je zonder zulke belangrijke ecologische basiswaarden wel geldige voorspellingen kunt maken. “Alleen via een erg korte email.”

 

Lijk 2: I want my money back

 

Met een jaaromzet van een half miljard euro, als bij het Wereldnatuurfonds kun je leuke dingen doen. Toch komen natuurclubs altijd geld tekort, en vallen natuurbestedingen in het niet bij sectoren als de mijnbouw. En dus zou met meer fondsen het resultaat beter zijn. Vandaar dat natuurclubs vaak modelstudies sponsoren met voorspelbare uitkomst, waarbij je via media een eenvoudig appel op donoren kan doen. De modelstudie van de Universiteit van Durham over vogels als klimaatvluchteling, werd betaald door het Wereldnatuurfonds en de Britse Vogelbescherming RSPB.

Maar komt het via fondswerving verzamelde geld wel terecht in de gebieden waar het nodig is en effect heeft? In ons land wijzen ecologen als Wageninger Herbert Prins al langer op het gebrek aan financiële verantwoording van internationale natuurorganisaties. Ook geeft een organisatie als Vogelbescherming bijvoorbeeld meer geld uit aan marketing en overhead dan bescherming van natuurgebied, zo tonen de jaarverslagen.

Een twijfelachtige anecdote geeft marien bioloog Mark Dowie in ‘The wrong path to conservation’, in The Nation in september 2008. Hier beschrijft hij hoe Conservation International, de derde grootste natuurbeschermer ter wereld koraalriffen bij Papoea Guinea claimde te beschermen.

Voor sponsoringgala’s werden beroemdheden ingevlogen, zoals de gitarist van rockband Pearl Jam, en rijken uit de Forbes 400 lijst, de Amerikaanse Quote 500. Rijken gaven gul en ook de Wereldbank deed donaties uit publiek geld. Maar voordat ook maar iets van de riffen daadwerkelijk beschermd werd, was binnen 2 jaar het volledige budget van ruim 6 miljoen dollar al opgesoupeerd aan de salarissen van wetenschappers, aankoop van SUV’s, speedboten en eerste klas lijnvluchten om meer celebrities aan te trekken.

Eén anecdote wil niet zeggen dat natuurbeschermers al feestend in hun vuistje lachen. Maar de laatste tien jaar komen ook steeds meer wetenschappelijke studies los, die de besteding van natuurbeschermingsgeld door natuurorganisaties proberen te achterhalen. Er blijkt een grote kloof te bestaan tussen de marketing en praktijk van de zogenaamde Big Conservation, Bingo’s zoals sociale activisten ze nomen. Dit zijn het Wereldnatuurfonds, Conservation International en andere partijen met een jaaromzet tussen de 200 miljoen en een half miljard euro.

De eerste kwantitatieve analyse was weinig lovend. Hoewel organisaties in hun marketing claimen dat zij prioriteitsgebieden aanwijzen, blijkt uit de studie in Conservation Biology (Halpern et al 2006) dat het geld daar vaak niet terechtkomt, en dat geldstromen niet te achterhalen zijn.

De enige organisaties die in 2000 ‘prioriteitsgebieden’hadden aangewezen waar het meeste geld naar toe moest, waren het Wereldnatuurfonds, Birdlife International en Conservation International. Maar juist bij de grote drie ging het mis.“Ironisch genoeg konden de drie NGO’s die claimen dat zij het meest actief zijn in het stellen van prioriteiten, geen data overhandigen over besteding van geld per land en regio”, stelt Benjamin Halpern in het artikel.

Hij richtte zijn studie daarom maar op IUCN, de Wereldbank en nog drie andere partijen die actief zijn in natuurbescherming. Zo ontdekte Halpern dat van de anderhalf miljard dollar die in een jaar werd besteed aan natuurdoelen, de helft werd besteed in de Verenigde Staten. China volgde als goede tweede als ontvanger van beschermingsgeld. Landen met regenwoud als Brazilie en Ecuador ontvangen juist weinig geld. “Zelfs in de meest optimistische interpretatie van onze resultaten, blijkt er veel ruimte voor verbetering in besteding van beschermingsgeld op de juiste plek”, stelt Halpern droogjes vast.

Econoom Paul Ferraro stelt de gebrekkige effectmeting bij natuurbescherming aan de kaak in ‘Money for nothing’ (Plos Biology 11 april 2006). “Kunnen we niet effectiever zijn met de beperkte hoeveelheid geld die voor natuurbescherming ter beschikking staan? Terwijl ecologisch onderzoek waarvan beschermers gebruik maken aan rigoureuze standaarden moet beantwoorden, leunt ons begrip van de effectiviteit van natuurbeleid dat soortenverlies moet keren op losse verhaaltjes uit het veld. Zo kun je niet de vraag beantwoorden of ingrijpen beter werkt dan helemaal niets doen.”

Latere studies bevestigen dit beeld, al toont een analyse van de Universiteit van Manchester door Dan Brockington in februari 2009 wel een correlatie tussen de besteding van geld per Afrikaans land en de aanwezigheid van belangrijke natuurgebieden.

 

Lijk 3: Klimaatbeleid: dé bedreiging voor biodiversiteit?

 

Klimaataandacht zorgt voor veel fondsen vanuit overheden. De World Conservation Union IUCN voorziet dankzij deze aandacht een inkomstengroei van 40 procent van 2008 tot 2012 naar ongeveer 100 miljoen euro van merendeels overheidsgeld. Dat blijkt uit hun jaaroverzicht van 2008. Relatief gezien vermindert de organisatie tegelijk de allocatie van geld richting biodiversiteit.

De algemene milieuigheid is deze eeuw dus een zware concurrent van de natuur en onze biodiversiteit. Zo lobbiet het Ministerie van LNV nu al bij natuurorganisaties voor plaatsing van windmolens in natuurgebied. Dat blijkt uit een oproep van dit ministerie in het Vakblad Natuur Bos en Landschap van november 2009. Om het klimaat te redden. Ironisch genoeg heeft het gebruik van olie en gas met haar hoge energiedichtheid, een relatief kleine aanslag gemaakt op de leefruimte van niet-menselijk leven. Tegelijk zal voor ‘duurzame energie’tenminste 3 procent extra van het mondiale landoppervlak worden geconsumeerd.

Veel biologen pleiten na onheilspellende modelstudies bovendien voor ‘grootschalige koolstofcompensatieprojecten’, zonder zich te verdiepen in de gevolgen van die claims. Nu al worden jaarlijks 7 miljoen hectare land met bomen beplant als manier om koolstof vast te leggen. Met het planten van 150.000 hectare monocultures op goedkoop land zou ongeveer 75 miljoen ton worden gecompenseerd in 25 jaar, de uitstoot van één kleine kolencentrale. Dus reken het beslag uit op leefruimte, wanneer álle kolencentrales aan dit regime moeten voldoen.

Pijnpunt ligt in het feit dat onder de vlag van compensatiebos vaak plantages van uitheemse snel groeiende soorten verschijnen, als eucalyptus. Het Nederlandse Face the Future plantte bijvoorbeeld tienduizenden hectares met monocultures van eucalyptus en sparren in Ecuador. Juist de soorten die voor grootschalige carbon offset worden gebruikt als eucalyptys hebben een vernietigend effect op de lokale biodiversiteit. Ecologen als Leo Zwarts en Eddy Wymenga berichten daarnaast dat geplante monocultures in de Sahel extreem soortenarm zijn.

Het kan anders. Een beter effect wordt gehaald, wanneer de compensatie zich richt op herstelbeplanting bij selectief gekapt regenwoud. Een studie op land in eigendom van Face in Maleisië leverde één van de eerste analyses van de effecten van bosregeneratie op biodiversiteit. Bioloog David Edwards van de Universiteit van Leeds publiceerde in Conservation Biology zijn studie over het herstel van vogelpopulaties, wanneer actief bos werd herplant. Hij zag dat sneller herstel optrad bij actieve herplant met inheemse soorten, in vergelijking met natuurlijke regeneratie.

“Herplant met monocultures is altijd destructief voor biodiversiteit”, stelt Edwards, die aangeeft dat hij niet door Face werd betaald. “Je loopt dan het gevaar dat compensatie een averechtse werking heeft. Terwijl je naar een win-winsituatie toe moet, waarbij je zowel koolstof vastlegt als gebieden herstelt. De vraag hoe je dan wel biodiversiteit kunt bevorderen via compensatieprojecten is tot nu toe nog nauwelijks bestudeerd.”

Nog één pijnpuntje. Afgelopen jaar turfden 13 biologen hun eigen vliegkilometers naar exotische oorden en conferenties, om vervolgens de uitstoot te berekenen. Zij publiceerden de bevindingen in ‘Why do we fly? Ecologists sins of Emission in ‘Frontiers in Ecology and the Environment’in augustus 2009. Wanneer biologen hun eigen Carbon Footprint berekenen, blijkt dat zij een tot 5 maal grotere CO2-uitstoot hebben dan de gemiddelde Amerikaan.Wat hun eerlijkheid betreft, verdienen zij nog wel wat extra Airmiles.

 

De wederopstanding

 

De natuurbeweging kan dus verschillende kanten op. Zich concentreren op biodiversiteit en natuur, of verder in de algemene milieusfeer van het laatste decennium. Wat Willis betreft, blijft de klassieke aanpak prioriteit houden, het verminderen van habitatdestructie en directe menselijke invloed “De fusie tussen klimaat en natuur leidt de aandacht af van grotere bedreigingen waar we veel effectiever kunnen optreden”, zegt ze. “Maar momenteel is het bijna onmogelijk om die kritiek te agenderen, ook binnen de natuurbescherming. Laten we zeggen dat we in interessante tijden leven.”

Mensen kunnen direct positief effect hebben, want afgelopen eeuw zijn veel successen gehaald in natuurbescherming. Maar het kan altijd beter. In het artikel ‘Let the locals lead’ in Nature van 19 november, biedt Robert Smith van de Universiteit van Kent een uitweg voor effectievere internationale natuurbescherming. Hier pleit hij voor lokale trainingscentra in kritieke gebieden, waarbij lokale bewoners zelf natuur beschermen. Want in Afrika is doorgaans slechts 2 procent van het personeel afkomstig uit de directe omgeving, de rest komt van internationale organisaties.

De trainingscentra zouden beter op de praktijk afstemmen dan de mondiale ‘one size fits alle’-concepten die academici bedenken. De academische beschermingswetenschap staat volgens Smith te ver van de lokale praktijk. ‘Te vaak bieden wetenschappelijke bladen nog ruimte aan publicaties waarbij een naïef geloof in grand design bestaat’, schrijft Smith die in Mozambique aan projecten werkte. De nieuwe rol van de grotere natuurorganisaties zou vooral ondersteunend moeten zijn bij het opzetten van lokale trainingscentra.

De oogst van het uitdagende Nature-artikel: één reactie, zo meldt Smith desgevraagd. “Veel organisaties bewijzen een lippendienst aan effectieve locale bescherming”, zegt Smith. ‘De intentie bestaat al decennia om effectiever te zijn, maar tegelijk blijft een kloof bestaan tussen marketing en daden en zie je nog te weinig verandering. Dat is geen kwade wil, maar de praktijk blijkt gewoon hardnekkig.”